Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XX. HOOFDSTUK V.

105

gelijk hij er stond, die zich ophield, die het vijgeblad in de hand nam, die zijn eigen gerechtigheden had en die vroom scheen; en of ge daarna almeer lust gaat hebben, om u zelven terug te vinden in den zondaar gelijk hij staan moet voor God als zich bekennende dood en doemschuldig, een vijand Gods en der menschen, en eigenlijk een vriend alleen van zijn eigen ik, een handlanger en instrument van Satan; en of ge, na zoo u zelven bekend te hebben, alsnu u zelven in u zelven geheel verliezende een ander ik terugvindt in dien heerlijken Christus.

Edoch daar blijft het niet bij. De Schrift toont u dat kind van God als een levend plantje dat opschiet en vrucht draagt. Heel andere vrucht dan de wilde wingerd. Niet alsof dat vrucht dragen ongestoord doorging, o, Neen, de Schrift toont u dat plantje van Gods kind, als gedurig door wind en storm geschud, door booze vijanden leeg geplukt, soms door giftige wormen gestoken. Maar als het plantje echt is, toont de Schrift u hoe de Landman dan altoos komt, om dat plantje weer op te binden, te zuiveren, er een steunsel bij te zetten, mest aan den wortel te leggen en het te besproeien, zoodat aan het eind toch altoos de vrucht weer uitbot. De Schrift toont u dat plantje in zijn winter- en zomerstaat; nu eens in de lente als de vrucht pas uitbot, en dan weer in den herfst als de bladeren gelen en de vrucht u tegenblonk, maar zóó dat in het eind de plant toch altoos aan de vrucht herkenbaar blijft.

Van die vrucht geeft ze u de afbeelding, de teekening, de omschrijving. Vruchten zoo, heel anders dan van een bloot burgerlijke gerechtigheid, bestaande in nederigheid voor God, in ootmoed en deemoed, in zelfwegwerping gepaard aan een zoeken van de eere Gods, in teederheid van liefde, in bereidwilligheid om te vergeven, in verlangen naar de heerlijkheid die komt, in een zachten gloed van stille liefde voor den eenig Dierbare.

En nu zegt de belijdenis onzer kerken, dat het God den Heere belieft, om met toeneming en op onderscheidene wijze, langs dien weg der Heilige Schrift, zijn geroepenen van hun staat te verzekeren. Niet dus opeens, maar gaandeweg en bij trappen. Naar gelang ge inniger in de Schrift wierd ingeleid, te sterker; en naar gelang ge verder op den weg zijt, te machtiger; ja naar gelang uw strijd voor Christus sterker wordt, te overvloediger. En zulks bij den één meer, door hem op den wortel van dat plantje meer te doen merken, en bij den ander door hem meer bij de vrucht te bepalen. Zoo het veel zomert in uw leven door u de vrucht te doen tegenglanzen. Zoo het veel winter bij u is, door u op den duur van kiem en wortel te doen merken. Maar toch altoos bij beiden zóó dat wortel en vrucht saam deze zekerheid in u sterken.

Sluiten