Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXV. HOOFDSTUK IV.

425

voldaan waren, en, na u eenmaal op dit pad gelokt te hebben, u al verder van uw Christelijke belijdenis afvoerden.

Duizenderlei zijn de bedenkingen, die tegen de Heilige Schrift in haar saamstelling, in haar wijze van uitdrukking, in haar volgorde enz. zijn ingebracht. Men is nu reeds zoover, dat wie nog aan de echtheid van eenig stuk van Mozes of eenigen brief van Paulus gelooft, een achterblijver heet. De tegenspraak rust niet en kan niet rusten, eer heel de Schrift onecht is verklaard, en er ter slotte blijkt, hoe de Heilige Schrift het minst vertrouwbare van alle boeken ter wereld is.

Daartegenover nu heeft de Christen de roeping, om zich zelf af te vragen, of hij het getuigenis des Heiligen Geestes in zijn hart ontving, dat de Heilige Schrift hem van zijn God is toegekomen, met den eisch dat hij er zich aan zal onderwerpen. Zegt hij neen, dan moet hij niet gaan trachten allerlei bedenkingen te weerleggen, maar wel om de gemeenschap van den Heiligen Geest te zoeken, opdat die hem leide. En zegt hij ja, dan moet hij ook den heiligen moed grijpen, om dit goddelijk getuigenis wel waarlijk kloek en kras tegen alle wijsheid der wereld over te stellen. Niet half, maar heel. Niet met gedempte stem, maar luidkeels. Niet in schijn, maar in der waarheid!

En is op die wijs de levenskring herwonnen, waarin waarachtiglijk de goddelijke autoriteit der Heilige Schrift vaststaat, en keert er dan een tijd van betrekkelijke ruste weder, waarin de studiën van de Heilige Schrift weer kunnen worden opgenomen, laat men dan ook de tegenspraak der Schriftbestrijders beantwoorden, niet als bedelende om hun toestemming, maar als getuigenis gevende, omdat men gelooft.

Onderscheidt nu een iegelijk mensch wel tusschen de herschepping van zijn leven uit den dood en de verwekking zijner ziel tot geloof, dan zal hij inzien, hoe God de Heere een ziel uit den dood ten leven wederbaart door zijn Heiligen Geest; rechtstreeks en onmiddellijk, gelijk Hij dit doet bij elk klein kind, dat wegsterft eer het tot bewustheid kwam, en toch geroepen is tot zaligheid. Maar hoe ook het geloof, d. i. de bewustheid van dit heil in ons nooit kan uitbreken, dan door het Woord. Wel schept Hij ons het vermogen om te kunnen gelooven in de wedergeboorte in, gelijk Hij een kind het vermogen om te kunnen spreken inschiep toen het het levenslicht zag. Maar het gebruik en de aanwending van dit vermogen, zoodat ge nu gaat gelooven en metterdaad gelooft, werkt God de Heere alleen door het Woord; altoos onder de leiding en bezieling van den Heiligen Geest.

En nu zouden wij wel wenschen, dat God de Heilige Oeest de verklaring

Sluiten