Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

156

ZONDAG XLI. HOOFDSTUK IV.

stellen. De vergevende, verzoenende liefde kan ook rhier de breuke heelen, en waar de schuldige schuld belijdt en de beleedigde persoon vergeeft, daar kan aan den voet van het Kruis ook deze zonde vernietigd worden, en ook na overspel, mits aldus verzoend, het huwelijk zijn gebroken kracht hernemen. Maar wel ligt er in, dat, waar deze inmenging der verootmoediging en des ontfermens niet plaats grijpt, en de beleedigde tegenover het onverzoende overspel blijft staan, verlating geoorloofd is en het aangaan van een ander huwelijk vrij staat. Vrij staat van beide zijden. Zoowel voor den man (zie Matth. XIX : 9), als voor de vrouw (zie ook Matth. V : 32).

Zal men nu daarom zeggen, dat dit alzoo Christelijk gehandeld is? Stellig niet. En in zooverre heeft het Canonieke recht volkomen gelijk, als het ontkent dat Jezus althans bij echtbreuk scheiding sanctioneert. Gesanctioneerd kan de scheiding op Christelijk terrein nooit worden. Heeft men toch met een man en vrouw te doen, die Christenen zijn, niet slechts in naam, maar in der daad, dan moet na de vreeselijke en ontzettende zonde van overspel, onverwijld verbreking en verbrijzeling voor God en verootmoediging voor de beleedigde partij volgen, en moet evenzoo de verzoening deze verootmoediging kronen. Is dit niet het geval, dan moet de kerkelijke tucht tusschen beide treden, die, leidt ze niet tot verootmoediging en verzoening, moet voeren tot excommunicatie en alzoo tot uitsluiting van het Christelijk terrein. Onder Christenen in den engeren zin vaü het woord, is echtscheiding dus feitelijk ondenkbaar. En al de moeite waarin men thans geraakt is, ontstaat uit de valsche opvatting van de kerk als volkskerk en het houden in die kerk van een wilden hoop, die niets van Christus afweet en niets met zijn heiligheden te maken heeft.

Onze Reformatie deed daarom in zooverre een stap op den beteren weg, toep ze de Kerk er maar buiten hield, en de Overheid ten deze liet 'optreden. Niet toch de Kerk, maar wel de Overheid heeft te voorzien in de regeling van allerlei betrekking tusschen personen, die niet als Christenen door een hooger beginsel geregeerd worden. En zij nu, de Overheid, kan dan natuurlijk niet bij dien wilden hoop den maatstaf aanleggen, die onder Gods kinderen als de eenig ware en heilige geldt, maar moet wel rekenen met de vreeselijke macht der zonde en de gevolgen die de zonde na zich sleept. Twee kinderen Gods, die saam gehuwd zijn* mogen dus eigenlijk nooit, scheiden, zelfs niet al kwam er overspel tusschenbeide. Maar de Overheid, die voor verreweg het grooter deel te rekenen heeft met een ongebreidelde menigte, moet haar huwelijksregeling zoo

Sluiten