Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

186

ZONDAG XLII. HOOFDSTUK I.

en onrecht, en zoo ook tusschen eigendom en diefstal wegvalle. In zooverre stemmen we dit dan ook volkomen toe. Voor het vraagstuk van den eigendom is ons metterdaad in het achtste Gebod een vast punt gegeven. Het achtste Gebod is in dien zin een der fundamenten van het maatschappelijk gebouw. En nooit zou, wie aan Gods Woord gelooft, mogen medewerken, om een maatschappij in te richten, die dat Gebod op zij zette. Maar als nu de rijke bezitters verder gaan, en niet zoozeer bezorgd blijken te zijn over de „fundamenten der aarde", maar meer over hun eigen schatten, en deswege uit dit achtste Gebod willen afleiden, dat al het hunne wettig eigendom is, en dat zij van Godswege vrijheid hebben, om daarover naar eigen goedvinden te beschikken, dan is het plicht en roeping der Christelijke zedekunde, om al zulke wanbegrippen te vernietigen. Eigenlijk was daartoe de eenvoudige voorlezing van den Heidelbergschen Catechismus op het achtste Gebod reeds voldoende, want als onze Catechismus zegt, dat zich tegen dit Gebod vergrijpt: 1°. al wie iets onder zich heeft, dat door list, bedrog, woeker enz. werd verkregen; voorts 2°. al wie gierig is of verkwist; en 3°. eindelijk al wie zijn goed niet ten meeste nutte van zijn naaste besteedt en den nooddruftige helpt; — dan springt terstond in het oog, dat dit achtste Gebod zijn overtreders voor geen gering deel juist onder de bezitters zoekt, en meer buiten dan in de gevangenis oordeel velt over zijn delinquenten. Proudhons zeggen, dat alle eigendom uit diefstal voortkomt, is stellig onwaar, maar dat zeer veel eigendom, welbezien, gestolen goed is, verzon niet eerst Proudhon, maar stond sinds 1563 in den Catechismus.

Toch kunnen we bij deze altoos min of meer oppervlakkige redeneering niet blijven staan. De Catechismus toch is ons wel een uitlegging van het Woord, maar nooit zelf een regel voor ons handelen; en zoo moet ook hier op de Schrift zelve teruggegaan. Niet alsof het zeggen des Heeren: Gij zult niet stelen, de laatste grond ware, waarop de eerbiediging van het eigendomsrecht van onze naasten steunt. Dit kan nooit. Een uitwendig gebod toch staat altoos achter in kracht bij een gebod, dat de Heere ons inschreef in de tafel van ons eigen hart. Zelfs zouden we, als de Heere zijn wet niet in ons hart had ingegrift, niet verstaan wat Hij met het uitwendig gebod bedoelde. Een uitwendig gebod, dat niet steunt op een inwendig gebod, moet daarom altoos een volledig omschreven gebod zijn, waarin met juistheid wordt aangeduid, wat ge hebt te doen of te laten. Zoo b.v. het proefgebod in het paradijs, waarbij een bepaalde boom wordt aangeduid en nauwkeurig wordt gezegd, wat Adam en Eva ten opzichte van dezen boom te doen hadden. Maar een algemeen gebod, dat zich over geheel het leven van alle menschenkinderen uitstrekt,

Sluiten