Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XLII. HOOFDSTUK V.

225

met name in het laatste vierde van deze eeuw hebben Gods kinderen in de beide groote klassen der maatschappij iets van de kunst van geven aangeleerd. Vooral bij de lagere klasse is dat soms aandoenlijk. En toch, op het hoogtepunt van het geven zijn we nog lang niet. Men geeft ja, als men over heeft, uit zijn overschot, van wat men missen kan, maar altoos nog met de onderstelling, dat ik dan pas te geven heb, als het er af kan. En hiertegen juist gaat nu onze Catechismus in. Neen, zegt de Heidelberger, geven is uw menschelijke plicht, evengoed als het uw plicht is, om voor uw kinderen te zorgen. En zooals ge nu van uw kinderen zegt: „Ja, ik geef hun brood, als ik overhoud"; maar uw plicht beseft, om zoolang te werken tot ge brood voor uw kinderen hebt, zoo ook rust van Godswege de plicht op u, om ook zoolang te werken, tot ge voor den nooddruftige iets hebt om hem te geven.

Onze armen verstaan dit zeer wel. Menig arbeider werkt 's avonds na, om achterstallig werk voor een kleinen arbeider af te doen. Menige huisvrouw die zelve moe en afgesloofd is, gaat bij buurvrouw, die in de kraam ligt, nog nawerken. Er zijn arme weduwen, die haast geen brood hebben, en nog een cent geven, als er een arme aanklopt. Niet alleen uw kinderen, ook de armen zijn van uw maagschap. Ze hooren bij u, ze staan niet buiten u, en ge moogt niet zeggen dat ze u niet aangaan. En dan eerst mag de maatschappij zeggen, dat haar dagtaak vervuld is, als er zooveel gearbeid werd, dat allen, dus ook de nooddruftigen, hun brood hebben.

Dit geven nu is een „kunst", die moet aangeleerd. Een halve eeuw geleden waande een man die vijftig duizend gulden inkomen had, zich reeds zeer weldadig, zoo hij vijf honderd gulden per jaar weggaf. Tegenwoordig spreekt men van minstens vijfduizend per jaar voor zulk een man. En zelfs dan geeft zulk een nog niet mild. Ook hierin moeten we elkander opvoeden. En dat gaat wel, zoo men maar geduld heeft. Onze kerkcollecten bewezen het. Wat thans in de vrije Kerken aan collecten wordt saamgebracht, en dat nog meest door de kleine luiden, is reeds het vijfvoud van wat men vroeger inzamelde, als de heeren in hun pelzen er bij zaten. De rijke dames die vroeger Zaterdagsavonds vooral een „stuivertje" moesten hebben, om dat in een punt van heur zakdoek voor de collecte te knoopen, en die dan als een bespotting onder de prediking van het Evangelie zaten, zijn gelukkig de wereld uit. In meer dan één gezin vindt ge reeds weer rentmeesters, die Gode rekenschap doen van het gebruik van hun goed, en boekhouden, niet enkel om te zien, of ze wel uitkomen, maar meer nog, om na te gaan, of ze wel goede, en barmhartige rentmeesters voor God den Heere waren.

£ Voto IV 15

Sluiten