Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XLIVa. HOOFDSTUK II.

271

tot alle gerechtigheid. Helaas, neen, zoo bestaan we niet. Dat mogen we in een enkel oogenblik van overspannen weelde der ziel gekend hebben, maar de doorgaande ervaring vloekt er tegen. Dat wil ons hart niet, dat kan ons hart niet, daar leent het zich niet toe. Zelfs Gods beste kinderen merken wel, dat de zonde niet meer in hen heerscht, dat er een ander leven in hen opwaakte, dat hun liefde en sympathie verlegd zijn, en dat er heiliger begeeren opleefde. Maar zóó, neen, bevinden ook zij het in zich niet, gelijk dan ook de Catechismus betuigt, dat zelfs „de allerheiligsten hier op aarde nog slechts een klein beginsel van deze gehoorzaamheid in zich bevinden." (Vr. 114).

Maar juist daarom is dan ook dat tiende Gebod ons zoo noodig. Tal van stil levende, gelijkmatige zielen, kennen bijna geen schuldgevoel, omdat ze bijna nooit in stuitende overtreding tegenover de negen Geboden staan. Maar nu komt dat tiende Gebod, en ja, hiervoor bezwijken ze op eenmaal, en door dat tiende Gebod leeren ze zich schuldig kennen aan al Gods geboden. Machteloos schuldig, want hoeveel ze ook veranderen kunnen, ze kunnen niet zeiven tot een geheele afsterving der zonde komen. Dat volgt eerst in den dood. Zoo wordt juist door dit Gebod het sluimerend schuldgevoel weer in hen opgewekt; en krachtig opgewekt; ze voelen weer dat ze voor een „verterend vuur" staan. En dan komt weer de aandrift des geloofs om toevlucht tot het offer der Verzoening te nemen, en tot hem die gezegd heeft: De reinen van harte zullen God zien.

En als ze dan zelf voelen en erkennen: Dit zondig drijven komt niet uit mijn wil, en niet uit mijn bewustzijn, en niet uit mijn verleden, maar wortelt in mijn natuur, in mijn ik, in het centrum van mijn wezen, dan daalt dit schuldgevoel tot in de schuld van heel ons geslacht af, en het besef breekt door, dat de toorn Gods reeds daarom op ons rustte, omdat we kinderen van Adam, zijner verdorven natuur deelachtig, en alzoo behoorende tot het schuldig menschelijk geslacht zijn.

Niets dan genade kan dan redding brengen, en alleen de Heilige Geest kan ons troosten. Die Heilige Geest die ons helpt, om het opborrelen uit de onzalige fontein te minderen, en het opborrelen uit de fontein des heils in ons machtiger te maken. En blijft het dan ook zoo nog worstelen tot den einde toe, dan draagt die worsteling zelve toch steeds meer de vrucht, dat het in ons als in den apostel worde: Ik, ellendig mensch, wie zal mij verlossen van dit lichaam des doods! Ik heb begeerte om ontbonden te zijn en met Christus te wezen. Bij Hem, van zonde vrij!

Sluiten