Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XLV. HOOFDSTUK VI.

359

het leven vernieuwde, en met die herinnering komt vanzelf de drang, om naar diezelfde Bron weer toe te gaan, of we weer uit diezelfde Bron een even heerlijke teug van genade mochten indrinken. Die heugenis, die herinnering is het dus, die vanzelf tot danken uitdrijft voor vroeger verhoorde gebeden, en ook nu de ziel moed geeft, om weer tot dienzelfden God van alle ontferming te gaan en nogmaals op een zielverkwikking uit Zijn goedertierenheid te hopen. Het danken omvat uw verleden, gelijk uw gebed naar de toekomst grijpt, en eerst zoo gebed en dankzegging zich in uw smeekingen paren, draagt die uitgieting uwer ziel dat eeuwige stempel, dat alle verborgen omgang met den Eeuwige dragen moet. Wie er de proef van neemt, zal er dan ook den zegen van wegdragen. Nog altoos wordt er zoo weinig gedankt. Veel meer althans wordt er gebeden. Van de tien melaatschen die genezen worden, is er nog altoos zelden meer dan één die terugkeert om Gode lof te geven. En toch wie als kind van God het zich tot vasten zetregel maakt, om nooit te bidden om genade zonder dat de dank opklimme voor reeds genoten genade, zal het ondervinden hoeveel warmer toon dit ook aan zijn gebed geeft, en hoeveel rijker de ziel wordt begiftigd.

Al wat in vorenstaande over gebed en dankzegging gezegd is, gold intusschen uitsluitend onze geestelijke nooden, en van de stoffelijke nooden werd met opzet nog geen gewag gemaakt. Dit moest wel, omdat we ten opzichte van onze stoffelijke nooden zoo geheel anders voor God in onze gebeden staan; en er zoo diepgaand verschil is tusschen beide soort gebeden. Onze vaderen drukten dit diepgaand versehü niet zoo onjuist uit, als ze zeiden, dat er voor geestelijke nooden een gebed zonder conditie was, en voor stoffelijke nooden nooit anders dan onder conditie. Onder de conditie namelijk dat de vervulling van onzen stoffelijken nood Godes eere en het zieleheil van ons en onze broederen niet in den weg sta, maar bevordere. Er dient dan ook op gelet, hoe in het Onze Vader slechts ééne bede voor onze lichamelijke nooden voorkomt, en hoe deze ééne bede zich bepaalt tot het gebed om het allernoodzakelijkst voedsel, en dat voor éénen enkelen dag. Reeds op dien grond mag dan ook gezegd, dat zij die in het gebed een soort toovermiddel zien, om de voldoening hunner begeerte te erlangen, den aard en de natuur van het gebed miskennen; iets wat met name geldt van de dusgenaamde genezing van kranken door het gebed. Al geven we toch voetstoots toe, dat God machtig is, om kranken zonder medicijn te genezen, en al leert de historie dat allerlei ziekten, die uit het zenuwleven voortkomen en dus rechtstreeks met het zieleleven saamhangen, zeer dikwijls alleen door geloofsaangrijping genezen

Sluiten