Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XLV. HOOFDSTUK VL

363

Dat het toch soms anders schijnt heeft dan ook een geheel andere oorzaak. Er zijn namelijk tweeërlei soort van bidders in stoffelijke zaken, dezulken die in hun gebed op eigen wieken drijven, en anderen die ook in hun gebeden zekere leiding des Geestes zoeken. Dit raakt natuurlijk het diepste mysterie van onzen verborgen omgang met God; weshalve de uiterste soberheid hier geboden is; maar toch de zaak die het geldt, mag daarom niet verzwegen worden. Men kan ook als kind des Heeren wandelen met en wandelen zonder God. Wie nu met God wandelt, leeft met zijn Vader, in de hemelen in verborgen omgang. Hij kan er wel geen naam aan geven. Hij weet het mysterie niet te verklaren. Maar toch, het feit staat voor hem vast, dat hij zeer goed gevoelt, hoe zijne ziel als een veder is, en hoe de adem des Almachtigen, naar gelang die blaast, die veder her- en derwaarts beweegt. Dit brengt 'teweeg dat de aandriften en opwellingen uit zijn hart onder zekere verborgene contróle komen. Er zijn opwellingen die aangemoedigd worden, en er zijn er die worden teruggedrongen. En dit nu brengt in het gebed van zulk een teweeg, dat er de eene maal, voor deze of die begeerte zijner ziel, ruimere ontsluiting, inniger doorgang en aanhoudender drang zal zijn, terwijl de andere maal een andere begeerte die opkwam, bijna met dat ze opkwam, wordt teruggeslagen. Gaat dit nu heiliglijk toe, dan leert de uitkomst niet zelden, dat begeerten, die tegen Gods verborgen wil ingingen, worden tegengehouden, en dat begeerten, die met Gods verborgen wil in overeenstemming waren, sterk in onze gebeden werden aangedreven. En dit nu is het wat men dan pleegt te noemen: „Ik heb er gebed voor," of ook: „Ik had er geen gebed voor." Hieraan nu hechten we zeer zeker. Dat God de Heere alzoo vaak zijn uitverkorenen leidt, is een onloochenbaar feit. Alleen maar, men zij er voorzichtig, uiterst voorzichtig mee. Meer dan eens toch is het gezien, dat wie eerst zoo in stillen omgang met zijn God wandelde en door zijn God, als zijn goeden Herder, ook in zijn gebeden geleid werd, door de zucht werd bekropen, om met deze leiding van zijn God ook bij anderen te pronken, zichzelven daardoor een zekere profetische roeping te verzekeren, en teweeg brengen, dat ook anderen aan zijn gebed een bijzondere waarde gingen toeschrijven. En dan natuurlijk was deze morgenster gevallen en in geestelijke zelfverheffing ondergegaan. Zoo sterk echter als tegen zulk een verzondigen van Gods genade moet gewaarschuwd, zoo sterk moet er bij anderen, die deze leidingen Gods in hun gebeden niet kennen, op worden aangedrongen, dat ze in hun gebed toch vromer mogen worden, door in hun gebed telkens óók voor hun gebeden de leiding in te roepen van den Heiligen Geest. -

Sluiten