Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XLV. HOOFDSTUK X.

395

Wel is er tot op zekere hoogte eenige analogie. Onze Vader sluit in, dat ge geen andere goden aanroept; in de hemelen, dat ge uw God niet onder beeldvorm eeren zult; uw naam worde geheiligd sluit het ijdelijk gebruik van Gods naam uit; en in zooverre kan men zeggen, dat hier zekere analogie is met den aanvang der Wet in haar eerste drie geboden. Maar onwaar en gekunsteld wordt men, zoo men het vierde gebod over den Sabbat met Gods koninkrijk, of ook het vijfde gebod over het eeren der ouders met het „Uw wil geschiede" in rapport poogt te brengen. En even gewrongen is het om de bede om het dagelijksch brood, die strekt om het leven te onderhouden, vergelijkt met het gebod: „Gij zult niet dooden;" de bede om schuldvergiffenis, wijl de meeste zonden zonden van oneerlijkheid zijn, op één lijn zet met het: „Gij zult niet stelen;" het „Leid ons niet in verzoeking" in verband brengt met het: „Gij zult niet echtbreken;" de lastering van iemands naam als duivelsche zonde slaan laat op de bede: „Verlos ons van den Booze;" en eindelijk de doxologie laat ingaan tegen het valsch begeeren van ons hart. Zoo is van alles alles te maken en Gods volk heeft aan zulke kunstjes niets. Eer integendeel, indien ge alzoo bij elke bede aan één bepaald gebod gingt denken, zoudt ge den zin en de beteekenis van het Onze Vader, en daarmee uw gebed geheel vervalschen. Vergiffenis behoeft ge niet enkel van de zonde van oneerlijkheid, maar van alle zonden. De verleiding loert op onzen weg niet enkel in den vorm van wellust, maar in allerlei vorm. En Satan begint ons te ziften als de tarwe, volstrekt niet alleen waar ons nijd op onzen naaste bezielt, maar op allerlei paden en wegen.

Meer is er daarom te zeggen voor het gevoelen van hen, die het Onze Vader trinitarisch duiden, d. w. z. die er zekeren regel in vinden, die beantwoordt aan de belijdenis van Vader, Zoon en Heiligen Geest. Daartoe zij opgemerkt, dat er zes beden zijn, die in twee reeksen üiteenloopen; eerst drie beden voor de zake Gods, en daarna drie beden voor de zake des menschen. En nu is het niet te ontkennen, dat in het eerste drietal de eerste bede zich meer richt op de sfeer des Vaders, de tweede op die des Zoons, en de derde op die des Heiligen Geestes. En dat evenzoo in het tweede drietal, de bede om het brood meer op Gods voorzienig bestuur, de tweede om vergeving van zonde meer op het Verlossingswerk, en de derde om niet te vallen in verzoeking, meer op de heiligmaking ziet. De trinitarische grondtrek is dus metterdaad aanwezig, en kon zelfs niet ontbreken, omdat bij het verschijnen van Gods volk voor den Drieëenige, de verhouding van den bidder tot zijn God, zich wel moet schikken naar zijn Drievuldig bestaan. En Jezus, die aan zijn volk dit gebed op de lippen legde, kon, krachtens de hoogste

Sluiten