Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAGSAFDEELING XLVI.

Vraag 120. Waarom heeft ons Christus geboden, God alzoo aan te spreken: Onze Vader?

Antwoord. Opdat Hij van stonde aan in het begin onzes gebeds in ons de kinderlijke vreeze en toevoorzicht tot God verwekke, welke beide de grond onzes gebeds zijn, namelijk, dat God onze Vader door Christus geworden is en dat Hij ons veel weiniger afslaan zal hetgene, dat wij Hem met een recht geloove bidden, dan onze vaders ons aardsche dingen ontzeggen.

Vraag 121. Waarom wordt hier toegedaan: Die in de hemelen zyt?

Antwoord. Opdat wij van de hemelsche majesteit Gods niet aardsch gedenken en van zijne almachtigheid alle nooddruft des lijfs en der ziele verwachten.

EERSTE HOOFDSTUK.

Indien dim gij die boos zijt, weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelsche Vader den Heiligen Geest geven dengenen die Hem bidden! LUC. 11 : 13.

In de 46e sectie van den Catechismus, tot wier bespreking we hiermede overgaan, is de aanhef van het Onze Vader aan de orde. Die aanhef luidt: Onze Vader, die in de hemelen zijt; maar al is er nu in dien aanhef sprake van het vaderschap Gods, toch zou het geheel misplaatst zijn, hier ter plaatse, over dit vaderschap uit te weiden. Dit is bij de 9e Zondagsafdeeling, en elders geschied, maar hoort hier niet thuis. Hier toch wordt dit vaderschap niet geleerd, maar ondersteld, en is de vadernaam uitsluitend te bespreken in verband met het Gebed. "Olevianus en Ursinus hebben dit uitnemend beseft, en geven dan ook op de vraag, waarom we ons gebed met de aanroeping van God als onzen Vader hebben te beginnen, dit schoone en rijke antwoord:

Sluiten