Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XLVI. HOOFDSTUK U

429

Middelaar voor zijn verlosten, dat natuurlijk alleen voor zijn gekochten kon worden opgezonden.

In gelijken zin nu zal Gods volk ook thans zijn gebed voor het Sion Gods hebben, waarbij natuurlijk de wereld is buitengesloten; maar het zal evenzoo toch zijn gemeen gebed voor de nooden der wereld hebben, opdat waar zij zwijgt en haar God vergeet, er toch een roepen zij, om den zegen des Heeren af te bidden. Wie, om dit concrete voorbeeld te nemen, aan een table d'höte in een logement aanzit, en merkt dat de aanzittenden niet bidden, doet verkeerd als hij den zegen alleen voor zichzelf afsmeekt, maar moet door de liefde gedrongen worden, ook den zegen Gods te vragen voor hen die met hem aanzitten, en die de vreugde en de heerlijkheid van het gebed niet verstaan. Wat nu geldt in dit bijzonder geval, hebben we ook in meer algemeenen zin toe te passen. Als in tijden van oorlog of volksberoering of mislukten oogst of van een pestilentie die uitbreekt, de wereld, die in lijden komt, niet kan bidden, doen wij niet goed, zoo we alleen voor ons zeiven om redding of bewaring smeeken, maar moet de enkele rechtvaardige bidden voor heel zijn dorp, en moet het volk des Heeren zijn, Smeeking opzenden voor heel het land. Op het beginsel dat hierin ligt hebben we derhalve ook te Ietten bij onze gewone gebeden in gewone dagen, en juist daarom is het zoo goed, dat we ook in de stille gebedspraktijk der binnenkamer gedurig het Onze Vader bidden. Als ge toch, na de uitstorting uwer eigen ziel, voor uzelven en voor de uwen gebeden hebt, maar nu zelf ontwaart, hoe eng zelfs in het bidden uw liefde voor den naaste was, o, dan doet het uw hart zoo weldadig aan, als ge uit uw eigen gebed opeens in het Onze Vader overgaat, en met dat Onze Vader, die in de hemelen zijt, opeens de sluizen van uw hart zich voelt openen, om de liefde uwer gebeden alsnu uit te strekken tot allen die met u aan de nooden des menschelijken levens zijn blootgesteld.

Sluit nu de aanroeping van God als onzen Vader, gelijk men vaak zegt, de vreeze buiten? Men waant dit niet zelden, en beroept zich dan op het bekende woord van den heiligen apostel Johannes, dat wie vreest in de liefde niet volmaakt is, want dat de volmaakte liefde de vreeze buitensluit. Onze Catechismus denkt hier juist omgekeerd over. Immers in het Antwoord op Vraag 120 staat integendeel, dat Christus, door ons alzoo God te leeren aanroepen, juist de kinderlijke vreeze in ons verwekken wil. Ook over dit punt daarom een kort woord. Van vreeze spreekt de Schrift in tweeërlei zin. De ééne maal als van een vreeze die uit het ontzag voor Gods majesteit geboren wordt, en de andere maal als van een

Sluiten