Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

434

ZONDAG XLVI. HOOFDSTUK II.

het oogenblik verkeert; maar dat is en blijft zoo, ook al gevoelt ge er op het oogenblik niets van. Ware het anders bedoeld, zoo zou onze Catechismus niet kunnen zeggen, dat Jezus door den Vadernaam de rechte kinderlijke vreeze en het rechte kinderlijk toevoorzicht in ons verwekken wil. Dan toch zou én die vreeze én dat toevoorzicht in onze stemming aanwezig zijn; die stemming zelve zou dan tot gebed uitdrijven; die stemming zou in ons niet slapen, maar wakker wezen; en alzoo zou er geen sprake van kunnen zijn, dat Jezus die stemming nog eerst in ons wilde wekken. Nu daarentegen juist dit het doel van die aanroeping van onzen God als Onze Vader is, blijkt hieruit, dat Jezus ons hiermee leert, niet hoe wij God bevonden hebben te zijn, maar hoe Hij is, en hoe we Hem bevinden zullen. God is Vader. Vader te zijn is zijn wezen. Al wat vader heet op aarde draagt van Zijn vaderschap slechts de afschaduwing en het beeld. En omdat nu God alzoo Vader is, en alleen uit dit Vader zijn van God ook voor het afgedoolde en verloren kind geheel de stroom der genade voortkomt, daarom zegt Jezus ons, dat we het Eeuwige Wezen bij dezen heerlijken naam noemen zullen. Uw zonde heeft wel gemaakt dat in u het kindschap onderging, maar wel verre van het Vaderschap van God te vernietigen, heeft uw zonde veeleer het Vaderhart van God in nog ondoorgrondelijker ontferming ontvonkt. De verloren zoon voelt dat hij geen kind meer is, maar hoe ver hij ook afdoolde, hij kon nooit teweegbrengen dat zijn vader ophield vader te zijn. En daarom, als hij tot zijn vader terugkeert heet het: „Ik ben niet meer waardig uw kind genaamd te worden," maar als hij dit uitspreekt, begint hij met te zeggen: „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen u." Wat in Antwoord 120 staat, dat „God onze Vader door Christus geworden is," mag dan ook nooit zóó verstaan, alsof God iets geworden zou zijn, wat Hij vroeger niet was. Hoe zou dit kunnen, daar er immers bij God geen verandering is noch schaduw van omkeering ? Neen, dit „geworden", ze is alleen wat Hij voor ons besef, voor ons bewustzijn, in onze voorstelling is geworden. Voor ons had Hij opgehouden Vader te zijn. Daarom konden we Hem zijn eere als Onze Vader niet meer geven. Hij was en bleef daarom wel Vader eeuwiglijk. Maar wij hadden onzen weg voor Hem verdorven, en wisten het niet meer. En daarom komt Jezus nu, en neemt den sluier weg, en zegt ons: „Gij dan, wanneer gij bidt, zegt alzoo: Onze Vader, die in de hemelen zijt."

Dat ook ons vertrouwen op de verhooring van ons gebed uit den Vadernaam steun ontleent, spreekt vanzelf; en tevens dat ons vertrouwen op verhooring onzer beden juist door dien Vadernaam in het rechte spoor

Sluiten