Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zondag xlviii. hoofdstuk i.

465

deze nadere bepaling, dat we niet van menschen deze zegswijze op Ood overbrengen, maar dat veeleer bij God alleen deze uitdrukking oorspronkelijk is, terwijl ze onder menschen alleen gebezigd wordt, als ontleend aan het rijk en de heerschappij van God. Alle rijk op aarde is óf tegen de hoogheid Gods ingaande, Hem nabootsende en Hem verdringende, óf wel aan Hem ontleend, waar de koningen der aarde regeeren bij de gratie des Heeren Heeren. In den eersten zin moeten die machtige wereldrijken worden beschouwd, die schier alle geëindigd zijn, met den Staat als Staat te vergoden in den persoon van zijn heerscher. Toen voor het standbeeld van Rome's keizer de wierook ontstoken werd, en de discipelen van Christus liever den marteldood stierven, dan dat zij voor den Divus Augustus d. i. voor den als God vereerden keizer zich nederbogen, hebben deze eenvoudige martelaren voor het Koninkrijk van God tegen zijn valsche nabootsing gestaan. En waar, sedert het Evangelie de wereld inging, ook de koningen en vorsten de knieën voor Jezus hebben gebogen, en voorts, op grond van Gods Woord, hun kroon als uit de hand des Heeren hebben aangenomen, is hun rijk onder menschen op aarde niets dan een zwakke afschaduwing van dat eeuwig Rijk der heerlijkheid, waarin God zelf Koning is, en dat eeuwig blijft en dan eerst in zijn vollen luister schitteren zal, als alle koninkrijken der aarde zullen zijn ondergegaan.

In dit „Koninkrijk der hemelen" komt het dus allermeest op den Koning aan. Die Koning is in dit rijk hoofdzaak. Al moet toch van alle rijken op aarde beleden, dat niet het volk er om den vorst is, maar de vorst om het volk, hier gaat deze regel zoo weinig door, dat deze Koning heel zijn rijk alleen om zich zeiven schiep en bezit. Niet Hij bestaat om zijn rijk, maar zijn rijk alleen om Hem. Dit verschil spruit daaruit voort, dat deze Koning van zijn rijk tevens de Schepper en Instandhouder van alle ding is. Alle aardsche koning ontvangt zijn rijk van God. Zijn volk is door God buiten hem om geschapen. Hij zelf is als een afhankelijk schepsel in dat rijk door God ingezet, en over dat volk door God met macht bekleed. Maar bij het Koninkrijk Gods is dit alles heel anders. Hier toch ontvangt de Koning niets van buiten. Hij vindt geen volk dat, buiten Hem om, er kwam, en dat Hem nu tot hoofd kiest of door Hem aan zich wordt onderworpen: Niemand heeft Hem over dat Rijk met macht bekleed, maar alle macht in dit zijn Rijk komt uit Hem zeiven. Hij en Hij alleen is, en blijft eeuwiglijk voor dit zijn Rijk de bron van alle leven, de springader van alle kracht. Hij is aan niemand rekenschap schuldig, en doet met al zijn Rijk, en in dat Rijk met alle schepselen, naar zijn welbehagen.

Dit Rijk van God omvat deswege alle ding, zienlijk en onzienlijk. Een

E Voto IV 30

Sluiten