Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XLIX. HOOFDSTUK III.

499

en in al zijn deelen door iemand, die boven u staat, wordt gecontroleerd en nagezien, heeft die plicht der getrouwheid kleiner afmeting, maar die eisch van getrouwheid klimt, hoe meer ge aan uzelven wordt overgelaten. Men merkt dit b.v. aanstonds, als men de ambtsbediening van een pastoor met die van een predikant vergelijkt. De pastoor heeft boven zich zijn bisschop, die hem rekenschap van zijn ambtsbediening afvordert en scherp op hem toeziet; de predikant daarentegen wordt bijna nooit nagegaan, en is in verreweg de meeste gevallen alleen aan zijn Heere en Zender verantwoordelijk d. i. aan zijn Oppersten Bisschop in de hemelen. Brengt dit nu teweeg, dat een pastoor precieser zijn ambt waarneemt, en dat een predikant er de hand mee licht, dan ontbreekt in den laatste de getrouwigheid; want getrouwigheid in het vervullen van onze bediening of van ons ambt bestaat juist hierin, dat we ons niet tevreden stellen met zoo weinig mogelijk als waarmee we voor der menschen oog volstaan kunnen, maar dat we er alzoo in verkeeren, dat de goedkeuring onzes Gods op onzen arbeid rusten kan. Ditzelfde geldt nu natuurlijk evenzoo van een klerk op een kantoor, van een onderwijzer op zijn school, van een moeder of dochter in het huishouden, van een dienstbode in de keuken of op de kinderkamer. Zonder Goddelijk beroep is niemand, en niemand mag denken: „Mijn taak en arbeid is te nietig, om er mijn hart op te zetten." Integendeel, de eisch, dat we én gewilliglijk én getrouwelijk onze dagtaak zullen vervullen, geldt voor een ieder. En nu stelt het Evangelie ons den eisch, dat we deze dagtaak nooit om loon zullen verrichten, noch ook omdat we er toe gedwongen worden, maar dat we in alles God den Heere zullen dienen, d. w. z. dat een ieder zijn dagtaak zal beschouwen als hem door God opgelegd, en om Gods wil te volbrengen. Zoo telkens komt de apostel er op terug; zelfs een slaaf mag zijn heer niet dienen, omdat hij moet, maar ook hij is gehouden zijn slaventaak met lust en liefde te volbrengen, als daarin dienende den Heere zijn God.

Dit neemt nu wel niet weg, dat onze dagtaak ons soms weinig aan kan staan. Als Vondel in den kousenwinkel staat, is het zeer wel te begrijpen, dat de hooge vlucht van zijn geest hem innerlijk verlangen deed naar een hooger werkkring, en zoo komt het ook nu nog telkens voor, dat iemand van hooger geestesaandrift en rijker talenten, die in een nederiger werkkring geplaatst is, innerlijk een verlangen voelt opkomen, of hij tot hooger taak mocht geroepen zijn. Maar, als het wel met u is, zal dit toch nooit aan de trouw van uw plichtsvervulling te kort doen. Niet gij bestelt uw leven, maar dit doet uw God, en Hem is het bekend, waarom u, bij uw meerder talent, nochtans deze eenvoudiger, nederiger taak is aangewezen. Gaat ge daar nu tegen in, mort ge daartegen in-

Sluiten