Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

566

ZONDAG LH. HOOFDSTUK III.

doel en den toeleg, om ons ten val te brengen; hetzij tot zonde in gemeenen zin, hetzij tot die zonde, die aller zonde wortel is, tot ongeloof. Die macht nu gaat nooit van God uit. God immers verzoekt niemand ten kwade; maar altoos van den Satan. Wel leidt God ons in verzoekingen, maar die in de verzoeking ons in het gif indruppelt, is nooit de Heere, maar zonder uitzondering altijd de Booze. Wat God de Heere met zijn „leiden in verzoeking" bedoelt, moge de eene maal zijn de beproeving van ons geloof, een ander maal de ontdekking aan ons zeiven van onze geestelijke zwakheid, of eindelijk een derde maal een ons verlaten met zijn genade en een ons verharden, opdat we, als straf voor ons ongeloof, in den jammer onzer ziel gestort, met berouw en schuldbelijdenis tot onzen God mogen wederkeeren; maar onder alle deze vormen, is het doel Gods altijd heilig, en nooit op het doen plegen van zonde of op den val van zijn kind gericht. Die het daarop richt is de wederpartij der, de aanklager der broederen, diezelfde Satan, die Job verzocht, of het hem gelukken mocht, Job van de vreeze des Heeren af te brengen.

Intusschen houde men hierbij wel in het oog, dat Satan op drieërlei wijs werkt; door ons vleesch, door de wereld, of rechtstreeks zelf. Deze drie factoren in de verzoeking, waarop ook de Catechismus met name wijst, staan niet zóó naast elkander, alsof de zondige prikkel van ons vleesch, en van de wereld buiten Satan zou omgaan; maar toch maakt het een zeer ernstig onderscheid, of we alleen met de afgeleide machten van Satan in vleesch en wereld, dan wel met Satan zelf in eigen persoon te doen hebben. Rechtstreeks is de Christus van Satan verzocht in de woestijn, maar desniettemin zag Jezus ook in Petrus' uitroep: Dat zal u geenszins geschieden, wel terdege Satans inblazing, en wees hem deswege af met een „Satan, ga achter mij". En toen de Heere Gethsémané zou ingaan, en Judas met de politie in aantocht was, om Jezus gevangen te nemen, zei Jezus nogmaals: „De overste der wereld komt". De zaak is dus zóó te verstaan, dat ook vleesch en wereld alleen door Satans geest, die er in werkt, prikkels tot zonde, tot ongeloof en afval zijn; maar dat Satan, behalve door vleesch en wereld, ook rechtstreeks onze ziel aangrijpt, met name in de aanvechtingen. Wat de heilige apostel zegt, dat „Satan rondsluipt als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden", drukt juist dat woelen van Satan in vleesch en wereld uit. Hij is en blijft de slang, die rondschuifelt in het woud onzes levens, en nu eens langs den bodem sluipend ons in de verzenen steekt, en dan weer uit de takken op ons neerschiet, om ons den kop te vermorzelen. Hij is de „overste der wereld", d.w. z. in vleesch en wereld heeft hij zijn rijk. Hij heerscht er in. Heel de wereld ligt in het booze. Hij blaast in vleesch

Sluiten