Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

620

"Zaak- en naam-reoister.

en het —; II, 428, 483 w., 491; III, 210 v.; Buurman en Schleiermacher over het

—; II, 452; Zwingli's invloed op de beschouwing van het —; II, 431. Zie Boom des levens, Huwelijk, Oog, Organisme. SACRAMENTEELE GENADE; II, 463 w., 477 w.; III, 124; de — sterkt het geloof;

II, 465, 485, 489, 540 v.; IV, 538; de — in verband met de sacramenteele teekenen;

II, 484 v.; de — door sommigen geloochend; II, 477 v. Zie Avondmaal, Doop, Lichaam van Christus, Sacrament. SALOMO als type; III, 275 w. SARA; zie Naamsverandering. SAUL; III, 420.

SAUSSAYE (D. CHANTEPIE DE LA); zie Heiligmaking.

SATAN; — een vorst met een leger; II, 128; val van —; III, 507; IV, 177; — volgt Christus na; III, 561; macht van — over het menschelijk leven; II, 128 v.; IV, 472 v., 481 v.; werkingen van — op ons; II, 58; IV, 566 w.; toch komt de zonde voor onze rekening; I, 62; — als tweede oorzaak; I, 245; onze slavernij onder —; I, 360; onze onmacht tegenover —; IV, 571 v. Zie Gebed, Gemeene Gratie, Koninkrijk der hemelen, Strijdende kerk, Val, Verzoeking, Volharding der heiligen.

SCEPTICISME; I, 473.

SCHAAMTE; IV, 239. Zie Gebed, Opvoeding.

SCHADUWEN (DIENST DER); doel van den —; II, 277; de kerk onder den —; II, 152; gebeden in den —; I, 274; — en der vervulling; II, 277; III, 205 v.; aanhouden van den — is verloochenen van Christus; II, 277. Zie Israël.

SCHELDEN; IV, 106 w.

SCHELDWOORDEN; als Doleerenden, Geuzen, enz.; III, 175 v. SCHEPPEN; I, 203, 206 v. Zie Dichtkunst.

SCHEPPER; grens tusschen — en schepsel; I, 204 v.; II, 16; Gnostieken hierover;

I, 97; (zie Val).

God als — en het kindschap van Christus, en van ons; I, 343, 354 v.; God als — en onze onmacht ter redding; I, 97; God als — en de naam Jehovah; I, 150. Zie Afhankelijkheid, Verlosser.

SCHEPPING; I, 195 w.; — der stoffelijke en der geestelijke wereld; II, 202, 237; de — is symbolisch; II, 458, 518 v.; de zonde in de —; I, 198 v.; de — is nog in wording; I, 198 v.; de — heeft de roeping God te verheerlijken (a. het onbewuste schepsel, b. de kerk, c. de ongeloovigen); III, 375; en te aanbidden; IV, 343 w.; de — en de le bede; IV, 451; kracht Gods ter — en ter herscheppingf; I, 486; onze — naar Gods beeld en in oorspronkelijke gerechtigheid; I, 475; tijdsverloop tusschen — en val; I, 45; Darwin en de —; I, 205 v.

Zie God, Loven, Mensch, Muziek, Naam des Heeren, Sacrament, Voorzienigheid, Wet, Zonde.

SCHEPPINGSDAGEN; IV, 17, 19.

SCHEPPINGSVERHAAL; I, 208 v.

SCHEPSELEN in drie soorten; III, 551.

SCHIETGEBEDEN; IV, 412.

SCHIJNGESTALTEN in de Schrift; I, 374.

SCHLEIERMACHER (T. D. E.); I, 347. Zie Vermittelungstheologen, Zoonschap. SCHOLTEN (J. H.); zie Opstanding, Souvereiniteit.

SCHOOL; de christelijke —; III, 596; de — en het gezag; IV, 91; Ursinus" Schatboek

over „scholen" in Antw. 103 van den Cat.; IV, 34. Zie Onderwijs. SCHOUWBURGEN; IV, 238; onkuische tooneelvoorstellingen in —; IV, 182 v. SCHRIFT (HEILIGE); II, 406 w.; waarom Heilig? II, 420; de — is Gods Woord;

II, 422; in de — veel getoond, weinig geleerd; III, 151; de — geschonken aan de wereldkerk; II, 418, 424; de — doet te niet de scheiding van plaats en tijd in de kerk; II. 419: de kerk in het Oosten levert, en de kerk in het Westen formuleert

Sluiten