Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21

Abt. 16

buitengewone mate van ijver, geschiktheid en bekwaamheid om voor toekenning boven het minimum van een of meer periodieke verhoogingen in aanmerking te kunnen komen.

Die eisch kan hierbij ook niet gesteld worden, omdat van die buitengewone mate van ijver, geschiktheid en bekwaamheid in de betrekking waartoe de ambtenaar benoemd wordt, nog niet kan zijn gebleken.

Aanstelling om deze reden op een hooger bedrag dan het minimumsalaris van den rang, kan dan ook nimmer gegrond worden op het voorschrift van dit artikel. Redenen, die kunnen nopen tot toekenning van een hooger dan het minimum-salaris, zijn b.v. benoeming van een ambtenaar, die te voren in eene andere functie werkzaam was en daarin reeds eene hoogere bezoldiging genoot, de hoogere dan de normale leeftijd of de daartoe aanleiding gevende antecedenten van den te benoemen ambtenaar.

(3) Deze bepaling is niet alleen imperatief gebleven als die van het besluit 1920, doch de redactie is bovendien eenigszins gewijzigd.

Het verschil is hierin gelegen, dat de redactie van het vorige besluit spreekt van toekenning van wedde boven het laatstelijk „genoten" bedrag; de tegenwoordige redactie van toekenning van wedde "boven het bedrag dat den ambtenaar „toekomt" aan wedde. Voorheen bouwde men dus bij bevordering voort op de concrete wedde, thans speelt een rol de vraag, wdk bedrag den ambtenaar bij bevordering „toekomt" aan wedde. Dit woord „toekomt" kan niet worden losgemaakt van den afgelegden diensttijd, zoodat extra wedde-vooruitgang meer dan voorheen verzekerd is. Heeft de ambtenaar b.v. den vollen diensttijd naar een volgende periodieke verhooging vervuld, dan zal bij bevordering in den hoogeren rang de wedde moeten worden toegekend, onmiddellijk liggende boven het bedrag, dat toekomt aan wedde naar den in den logeren rang afgelegden diensttijd.

Een en ander vloeit ook voort uit de woorden „ten minste", waarmede bedoeld is de toekenning nevens het boven de wedde, genoten in den lageren rang, liggende bedrag in de schaal van bezoldiging van den hoogeren rang, van een naar evenredigheid te berekenen aantal maanden dienst als verstreken zijn na het bereiken van de laatst toegekende periodieke verhooging in den logeren rang, voor zoover die niet overeenkwam met het maximum daarvan.

Deze evenredigheid moge hierna worden besproken. Allereerst dient dan opgemerkt, dat er slechts twee soorten van bevordering bestaan, die van belang zijn om voor de toepassing van artikel 16 te worden onderscheiden:

1°. normale bevorderingen, waartoe moeten worden gerekend al die bevorderingen, waarbij het belang van een goede onderlinge verhouding tn den dienst, ook na de bevordering in het oog gehouden dient te worden.

Bij die bevorderingen worden de ambtenaren, die normaal hunne plichten vervulden, en voor wie dus geen afwijking van den normalen regel wordt noodig geacht, allen op gelijken voet behandeld.

2°. Niet normale bevorderingen, die te splitsen zijn in:

a. bevorderingen, waarbij het de uitgesproken bedoeling is om, b.v. tn verband met de twijfelachtige waarde van den ambtenaar voor den dtenst, niet meer te geven dan art. 16,2e lid, als minimum verplichtend

Sluiten