Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32

OVERIJSEL (TWENTE, 1546).

eyn, 't beste, pandt rorende, 't sy peert ofte koe, scaep, ketel, pot ofte cleet, so wel van vrouwen als van mannen, ende dit is 't verstane, inden se oer hofrecht verwart hebt ende dat se met belmundich geworden syn.

Belmondigheid, zoowel van hofvrijen, van kamerlingen als van hof eigenen, kan vóór den dood worden afgekocht.

16. IV. Item is 't weten dat alle belmundige, sowel van den hofvryen ende kemmerlingen als hofhorigen ofte hofegenen, mogen oer belmundicheit int leven afcopen, ende, soe se dat niet afcopen, dan worden se in oer sterven egen ende all oer nagelaten guedt vervallet an Key. Mat.

Is een kamerling gestorven, dan moeten de erfgenamen binnen 3 dagen er kennis van geven aan den rentmeester of in den hof te Ootmarsum, en wie buiten Twente of Benthem wonen, binnen 14 dagen.

16. V. Item als eyn cammerling gestorven is, soe behoren de erfgenamen 't kennen 't geven den renthemeister ofte in den hof Oetmersen den sterfdach bynnen dre dagen de bynnen den lande van Twenthe ofte in der graefscop van Benthem wonnen, ende de daerbuten ende veerre wonnen bynnen XIIII dagen, by verboerte des helen nagelaten guedes.

Als een vrij persoon zonder wissel zich als kamerling in de hoorige echte begeeft, kan hij of zij een vrij kind bedingen uit de kinderen, die nog geboren zullen worden x).

16. VI. Item als eyn vry mensche, so wel man als wyf, gaet voer den hofmeyer in de kemmerlinge-echte, niet wesende wessele in de plaetse van enen anderen, daer vuytgaende, deselve mach eyn kynt (van synen kynderen nae der tyt geboren) wedder vry hebben in syn plaetse, inden he dat besceidet in den inganck.

De kinderen van een kamerlinge volgen haar staat, doch als een kamerlinge tweelingen baart, is het jongste kind geheel vrij 2).

16. VII. Item alle de kynderen, de van kemmerlingen-vrouwen

*) Vgl. p. 21, art. X en p! 29, art. VII. De reeds geborene waren en bleven vrij.

2) Dit artikel, hoe algemeen ook geredigeerd, zal vermoedelijk verband houden met het onmiddehjk voorafgaand art. VI. Vgl. p. 26, art. XXII en noot daarbij en p. 30, art. VIII en noot daarbij.

Sluiten