Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARTIKEL 101, 102

50

van de mogendheid bij welke dienst genomen is. Wanneer iemand van die mogendheid een post heeft aangenomen die daar als een geheel burgerlijke betrekking wordt beschouwd, wanneer dientengevolge geen enkele militaire bepaling op hem toepasselijk is, kan hij toch niet gezegd worden in krijgsdienst te zijn, al is hij ten dienste van den oorlog werkzaam, en al zou hij, in Nederland zoodanige betrekking vervullende, als krijgsman beschouwd worden. In krijgsdienst treden kan niet meer zijn dan in dienst treden als krijgsman of daarmede gelijk gestelde 1).

Op iemand als hier bedoeld is zal trouwens licht artikel 102 van toepassing zijn.

7. Buitenlandsche mogendheid, zie aanteekening 4 op artikel 97.

8. Voor de bijkomende straf zie artikel 106.

Artikel 102.

Met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren wordt gestraft hij die opzettelijk, in tijd van oorlog, den vijand hulp verleent of den staat tegenover den vijand benadeelt.

Levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren wordt toegepast indien de dader:

1°. eenige versterkte of bezette plaats of post, eenig middel van gemeenschap, eenig magazijn, eenigen krijgsvoorraad of eenige krijgskas, of wel de vloot of het leger of eenig deel daarvan aan den vijand verraadt, in 's vijand» macht brengt, vernielt of onbruikbaar maakt, of eenige tot afweer of aanval beraamde of uitgevoerde onderwaterzetting of ander militair werk belet, belemmert of veradelt;

2°. eenige kaart, plan, teekening of beschrijving van militaire werken, of eenige inlichting betreffende militaire bewegingen of ontwerpen den vijand mededeelt of in handen speelt;

3°. hetzij oproer, hetzij muiterij of desertie onder het krijgsvolk

teweegbrengt of bevordert; 4°. als verspieder den vijand dient of een verspieder des vijands

opneemt, verbergt of voorthelpt.

*) Anders, doch zonder motiveering, Polenaar en Heemskerk, aanteekening 4. Voor verschillende gevallen uit den oorlog 1940—1945 zie men de rechtspraak van den Bijz. Raad van Cassatie. Met name de arresten van 25 Februari 1946 en 27 Mei 1946, beide niet gepubliceerd.

Sluiten