Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

199 ARTIKEL 145.

eenstemming trouwens met hetgeen in de memorie van toehchting op de aangehaalde woorden volgt: „De verhindering van een godsdienstige bijeenkomst maakt op het algemeen een veel pijnlijker indruk, en deze meerdere prikkelbaarheid verhoogt het gevaar voor „algemeene rustverstoring." Zie ook aanteekening 1 op artikel 143.

Er is dus geen reden om aan de enkele woorden der memorie een beslissende beteekenis toe te kennen, te minder omdat het niet juist is dat de Grondwet de kerkgenootschappen beschermt. Artikel 165, thans 175 heeft een historische beteekenis, en sluit uit de bescherming van een kerkgenootschap boven de andere zooals die oudtijds verleend werd, maar zegt aan de kerkgenootschappen als zoodanig geen bescherming toe boven andere instellingen.

De Commissie van Rapporteurs uit de Tweede Kamer vatte artikel 145 ook in ruimen zin op, toen zij zeide: „De bijzondere bescher„ming is niet een bescherming aan de kerk of aan de geestelijken „verleend, maar de aard van ons volk brengt mede, dat inbreuk „op zijn godsdienstzin als een zwaarder vergrijp wordt opgevat dan „inbreuk op de vrijheid van geoorloofde vergaderingen in het „algemeen" *).

Noyon in den vorigen druk deed hierop volgen: „De rechter is echter bij de beoordeeling van de vraag of een bijeenkomst is een godsdienstige niet gebonden aan de meening van hen die de bijeenkomst houden. AReen hun zeggen dat deze of gene handeling is een vorm van godsdienstoefening, van godsvereering, kan ten deze niet beslissend zijn."

„Als minste eisch mag gesteld worden dat zoodanige handeling m haar geheele verloop een uiterlijk kenmerk vertoont dat zij met de hier te lande gangbare wijze van godsdienstoefening gemeen heeft."

„Zoo beschermt de Grondwet ook niet de vrije belijdenis van aRe meeningen maar van ieders godsdienstige meening; of een meening een godsdienstige is, zal ook moeten beoordeeld worden naar de algemeen daaromtrent geldende opvatting."

Ik houd dit in zoover voor juist, dat de enkele bewering dat zekere bijeenkomst een godsdienstige is geen gewicht in de schaal kan leggen. Echter zie ik geen aanknoopingspunt voor de meening, dat de rechter ook iemands overtuiging een handeling van godsdienstigen aard te verrichten aan meer algemeen aanvaarde opvattingen zou mogen toetsen.

Voor zoover een bijeenkomst ook is een vergadering, is zij als zoodanig beschermd door de artikelen 143 en 144.

^tr^T Ra*d vereeni«de 2ich °ok met die ruime opvatting bij arrest van 20 Maart 1899, W. 7261.

199

Sluiten