Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARTIKEL 225.

448

plaats die waaruit eenig recht, eenige verbintenis of eenige bevrijding van schuld kan ontstaan. De woordenkeus wijst er aanstonds op, en in de memorie van toehchting wordt het bevestigd, dat hier slechts van geschriften sprake is waaraan rechtsgevolg kan worden toegekend *). (Dat nieuwere opvattingen eerder geneigd 'zijn het rechtsgevolg in verband te brengen met de door het geschrift bewezen rechtshandeling dan rechtstreeks met het geschrift, maakt de bedoeling van ons voorschrift niet minder duidelijk). Uit de woorden verbintenis en bevrijding vloeit dit voort, die woorden zijn rechtstermen met een zeer bepaalde beteekenis. Ook het woord recht dient in dezen geest te worden opgevat met dien verstande dat het beteekent een aanspraak die men naar 'positief recht kan doen gelden, met uitsluiting van alle ruimere beteekenis, waarin het in het dagelijksche leven ook voorkomt*).

3. Nevens het bovenvermelde geschrift, dat naar luid der memorie van toehchting onmiddellijk bron van rechten kan zijn, noemt de wet dat hetwelk bestemd is om tot bewijs van eenig feit te dienen.

De oorspronkelijke tekst luidde: dat tot bewijs van eenig feit kan dienen. Deze redactie ontmoette bezwaar bij de Commissie van Rapporteurs uit de Tweede Kamer omdat zij tegen de bedoehng des wetgevers aRe mogehjke geschriften omvat; een geschrift kan toch altijd tot bewijs van eenig feit dienen al was het alleen maar het feit dat er geschreven is. Terecht verzette de Commissie zich tegen deze aRe bedoelde beperking opheffende algemeenheid van omschrijving zij stelde nu voor te lezen: „dat tot bewijs van eenig feit moet dienen", opdat er werkelijk aReen sprake zou zijn van geschriften die bewijsstukken zijn, hetzij uit hun aard, hetzij omdat de bestemming tot bewijsstuk er in concreto aan gegeven is.

De Minister, die in het voorgestelde geen verbetering kon zien, vereenigde zich echter met het bij de beraadslagingen door de Commissie ingediende amendement, volgens hetwelk het artikel gelezen zou worden zoo als het thans luidt. Volgens den woordvoerder der Commissie had de Minister geen bezwaar omdat uit de memorie van toehchting en het verslag blijkt dat de Regeering onder de door haar gebezigde woorden eigenlijk niets anders verstond dan de Commissie alleen in de hare kon lezen; en de Minister, beaamde dit.

Bij deze nadere behandeling werd niet in het Hcht gesteld het

11 Er moet dan ook, indien het geschrift een bevrijding van schold inhoudt, van het bestaan dier schuld blijken; Rechtbank Arnhem 6 Mei 1902, W. 7778. -> Polenaar en Heemskerk, aanteekening 3.

Sluiten