Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

99

artikel 288, 289.

denken; het daarhij onmisbare overleg maakt hem tot moord.

2. De doodslag moet gevolgd, vergezeld of voorafgegaan zijn van een strafbaar feit. Dit feit kan ook in een strafbare poging bestaan; het artikel is bijv. toepasselijk op doodslag, gevolgd door poging tot diefstal en gepleegd tot het gemakkelijk maken van dien diefstal.

Maar wanneer ten aanzien van het bijkomende feit geen begin van uitvoering aanwezig is kan van toepassing geen sprake zijn; niet het oogmerk alleen is beslissend.

Zoo besliste de Hooge Raad1) dat niet onder artikel 288 valt poging tot doodslag door hem die wel den doodslag had willen doen strekken tot vergemakkelijking van een voorgenomen diefstal maar tot het plegen van dien diefstal niet was overgegaan.

3. Bij „het wederrechtelijk verkregene" behoeft men niet uitsluitend aan het in strijd met het vermogensrecht verkregene te denken. Ook verkrijging in strijd met voorschriften van economische ordening komt hier in aanmerking2).

4. Voor de bijkomende straf zie artikel 299.

Artikel 289.

Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander; van het leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

1. Is voor de enkele opzettelijk gepleegde levensrooving. de naam doodslag aangenomen, moord is in het wetboek de technische term voor doodslag met voorbedachten rade gepleegd. Het onderscheid tusschen de beide misdrijven is gelegen in hetgeen in den dader vóór de uitvoering is omgegaan.

De memorie van toelichting noemt hetgeen vereischt wordt een tijdstipa) van kalm overleg, van bedaard nadenken. "Deze voorstelling is niet volkomen juist en hecht zich te veel aan het in koelen bloede bedachte en overlegde misdrijf, schijnt den opgewekten hartstocht die het plegen van het misdrijf doet beramen, uit te sluiten. Dit is echter niet bedoeld, blijkens de nadere bepaling

J) Arrest van 27 Juli 1901, W. 7635.

3) Aldus Hooge Raad 26 Maart 1946, N. J. 1946, no. 226.

3) Tijdperk zal bedoeld zijn.

Sluiten