Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARTIKEL 310,

142

niet oogmerk tot wederrechtelijke toeëigening1), maar wel het oogmerk tot dwingen tot betaling van een schuld gepaard met dat om zich bij niet betalen uit het weggenomene schadeloos te stellen.

Uit dit oogpunt moet beantwoord worden de vraag of diefstal kan heeten het wegnemen van eens anders eigendom, niet om daarvan te genieten maar om wegens diefstal te worden aangehouden en veroordeeld en zóó een verblijf in de gevangenis te bekomen.

De vraag, veel ouder trouwens dan ons wetboek, kwam ook bij de vaststelling ter sprake3). Reeds in de memorie van toelichting werd alle gedachte aan winstbejag als noodzakelijk oogmerk van den dader verworpen; bij de schriftelijke behandeling in de Tweede Kamer werd dit nog uitdrukkelijk herhaald en bevestigd, wat niet belette dat in de Eerste Kamer de vraag nog werd gesteld „wat „rechtens zou zijn wanneer iemand iets wegneemt niet om het zich „wederrechtelijk toe te eigenen maar ten einde tot gevangenisstraf te „worden veroordeeld". Die vraag was verkeerd gesteld, het verschilpunt zou toch hierin liggen of het doel van den dader al dan niet het oogmerk tot wederrechtelijke toeëigening uitsluit. De Minister van justitie verwierp dan ook de gemaakte tegenstelling, er op wijzende dat de wensch om in de gevangenis te komen niet meer is dan een motief dat buiten de elementen van het misdrijf gelegen is, dat „den animus furandi ongedeerd laat."

Het oogmerk van den dader blijft toch altijd de weggenomen zaak als zijn eigene te behandelen, al bestaat de beschikking in een overgifte aan de politie en al vermoedt hij dat de zaak op die wijze weder in handen van den eigenaar zal terugkomen. Dit laatste staat immers niet in zijn macht, wellicht immers is de eigenaar niet meer te vinden; wanneer hij over de zaak beschikt heeft door er zich op andere wijze dan door teruggave aan den eigenaar van te ontdoen, heeft hij de zaak, zij het op ongewone wijze, naar willekeur voor eigen doeleinden en wellicht onherstelbaar aan den eigenaar onttrokken en lag dit in zijn oogmerk. Anders zal men slechts moeten oordeelen, wanneer het wegnemen geschiedt onder de oogen van de politie en niet anders te verwachten is dan dat deze het weggenomene aanstonds weder aan den gerechtigde, omtrent wiens persoon dan dus geen twijfel zal moeten bestaan, tér

x) Wat het eerste betreft: Hooge Raad 30 Mei 1917, W. 10133, N. J. 1917, 788. Anders echter het arrest van 25 Juli 1930, W. l/206, N. J. 1930, 1546. M. L zal men de grens daar moeten zoeken, dat in het laatste geval het beoogde „beperkte en tijdelijke gebruik" was het openbreken en leeghalen van een brandkast, dus iets wat een rechtmatig tijdelijke gebruiker in beginsel niet mag doen. Voor het laatste: Rechtbank Zwolle 24 September 1914, W. 9806.

2) Smidt II, eerste druk 464, tweede druk 488.

Sluiten