Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARTIKEL 326.

208

schijn van waarheid te geven*); er zal echter altijd meer dan één verdichtsel moeten zijn.

11. Evenals aannemen van een valschen naam of een valsche hoedanigheid ook bestaat wanneer iemand gebruik maakt van den naam hem door een ander in dwaling gegeven of de hoedanigheid hem toegekend, zal het gebruik maken van de omstandigheid dat een ander een onjuiste meening heeft opgevat, door het versterken van dien waan door listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels zoodat de afgifte enz. daarvan het gevolg is, oplichting opleveren. Iemand bewegen tot afgifte bestaat toch niet alleen door het initiatief van hem die beweegt*).

12. Ophchting is een gevolg van bedrog; intusschen wordt de één spoediger bedrogen dan de ander. Daarom is wel gezegd dat er alleen dan oplichting is wanneer de aangewende middelen van dien aard zijn dat de normale mensch er door bedrogen kan worden. Deze regel lijdt echter aan de fout dat, in geval middelen die een normaal mensch niet zonden bedriegen aangewend worden, ook van oplichting geen sprake kan zijn al is degene tegen wien zij gebezigd werden er voor bezweken, m. a. w. dat een vrijbrief gegeven wordt voor bedrog van onnoozelen. De Hooge Raad heeft dan ook bij een arrest van 25 Januari 18843) beslist dat de wet niet meer eischt dan dat iemand in concreto bedrogen is. Dit wil echter niet zeggen dat hij die zich met open oogen laat bedriegen zich wegens oplichting kan beklagen; er moet kunnen aangetoond worden dat het bedriegelijke middel in de bestaande omstandigheden voor de bepaalde persoon zoozeer den schijn van waarheid had dat de uitwerking van het bedrog verklaarbaar was4).

Terecht wordt gezegd in de memorie van toelichting op het Wetboek van strafrecht voor de Europeanen in Nederlandsen Indie van 1898, bij den titel van Bedrog, blz. 179: „Welke waarde men aan deze verklaring" (n.L dat de wet niet de üchtgeloovigheid en de onnoozelheid wil beschermen maar den bij zqn handelingen in het maatschappelijk verkeer nadenkenden mensch) „ook moge „hechten, zij kan in geen geval betekenen dat de rechter die in „elk concreet geval de schuld van den beklaagde zal hebben te „beoordeelen, daarbij niet den algemeenen graad van ontwikkeling

i) Hooge Raad 19 Maart 1923, W. 11056, N. J. 1923, 738; 19 Januari 1942, N. J. 1942, no. 574.

*) VgL Hooge Raad 19 Maart 1862, W. 2367.

») W. 5025. In gelijken sin 27 November 1939, N. J. 1940, no. 219.

*) Anders Bentfort van Valkenburg t.a.p. bladz. 75. Geheel als de tekst Simons H, no. 472.

Sluiten