Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

209

ARTIKEL 326.

„der klasse waartoe het slachtoffer behoort, zou moeten onder„zoeken, waardoor tevens de graad van nadenken wordt bepaald, „welke bij diens handelingen in het maatschappelijk verkeer kan „gevorderd worden." Ik ga echter nog een stap verder, en wil ook beschermd zien hem wiens persoonlijke ontwikkeling nu eenmaal niet toelaat dat hij het bedrog doorziet, maar met uitsluiting van hem die zijn verstand niet gebruikt..

13. Het ontwerp kende als speciaal misdrijf nevens oplichting nog, behalve het uitgeven van muntspeciën van geringere waarde dan waarvoor men ze in verband met een verandering van het uiterlijke aanzien wil laten doorgaan, en het doen doorgaan voor muntspeciën van stukken die geen muntslag dragen (zie aanteekening 9), het aanwenden van listige kunstgrepen bij het spel.

Reeds onder vigeur van den Code pénal werd dit feit als oplichting beschouwd; de toelichting tot het ontwerp vermeldt geen reden waarom het hier afzonderlijk strafbaar werd gesteld; in de lichtere straf schijnt die reden gezocht te moeten worden, een reden welker geldigheid door de Commissie van Rapporteurs der Tweede Kamer niet kon worden erkend. De Minister van justitie liet nu het artikel vervallen maar gaf aanleiding tot eenigen twijfel omtrent zijn motief. Terwijl hij toch bij artikel 361 van het ontwerp eenvoudig mededeelde dat dit verviel, ving hij de toelichting van de nieuwe artikelen 331 en 332 aan met deze woorden: Artikel 361 oud, „331 en 332 nieuw. In plaats van op de speeltafel vestige de wet„gever overeenkomstig het advies der Commissie zijn aandacht op „onheilen als die van de Taybrug"1). Die woorden geven eenige aanleiding tot de gevolgtrekking dat de wetgever, zijn aandacht van de speeltafel op de bedoelde rampen overbrengende, de strafbaarstelling van bedrog bij het spel liet varen. Toch kan dit de bedoeling niet geweest zijn, en is er ook niet weersproken dat dit bedrog oplichting kan opleveren en als zoodanig gestraft moet worden; de woorden van den Munster zullen beschouwd moeten worden als een min gelukkige figuur die niet tot eenige gevolgtrekking aanleiding mag geven.

14. Blijkens artikel 338 is op dit misdrijf artikel 316 van toepassing. Derhalve moet de vraag beantwoord worden tegen wien het misdrijf gepleegd is.

Evenals bij de artikelen 317 en 318 (zie aanteekening 4 op artikel 318) is dit de persoon tegen wie de bedriegelijke middelen zijn aangewend, niet de eigenaar van het goed als zoodanig. Dit

*) Smidt II, eerste druk 518 en 538, tweede druk 550 en 570.

Sluiten