Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARTIKEL 344.

284

op initiatief der schuldeischers in de vergadering gedaan werd. Door de artikelen 110 en 121 der Faillissementswet is echter het zwaartepunt der bemoeiing van den schuldeischer verlegd; hij behoeft niet meer ter vergadering op te komen tenzij om bij betwisting van zijn vordering deze te beëedigen. Kan hij nu nog gezegd worden door de enkele indiening van zijn vordering bij den curator ze geheel of ten deele te hebben voorgewend bij de verificatie?

De woorden laten m. i. deze ruime interpretatie toe; er staat niet: in de verificatievergadering; de wetgever heeft dus bepaaldelijk het oog geslagen op de handeling die voor de verificatie noodig is, en die ze voor zooveel den schuldeischer betreft ten gevolge heeft.

De vordering kan intusschen ook in de verificatievergadering nog een onderwerp van debat uitmaken ten gevolge van betwisting. Daarom is ook thans nog van beteekenis de bij arrest van den Hoogen Raad van 10 April 1893 x) beantwoorde vraag in hoeverre de intrekking van de vordering of het terugbrengen tot het ware bedrag in het debat over de betwisting uitwerkt dat er geen misdrijf is.

In het bij dit arrest behandelde geval had een schuldeischer voor een hooger bedrag dan hem toekwam de verificatie gevraagd; de beslissing was uitgesteld tot een volgende vergadering waarin de vordering verminderd werd.

Op grond dat doen gelden, wat op zich zelf ook kan beteekenen: doen erkennen, wegens de door den wetgever bedoelde gelijkstelling met voorwenden beteekenen moet: voor een schuldvordering op erkenning aanspraak maken, besliste de Hooge Raad dat bij rectificatie de aanspraak op het verhoogde bedrag door vrijwillig terugtrekken niet is blijven bestaan en dus het misdrijf niet voltooid is.

De consequentie van deze leer is dat ook na verwijzing van het geschil naar den rechter het misdrijf niet is voltooid zoolang de schuldeischer de onwaarheid zijner opgave nog erkennen kan, d. i. zoolang er in het verificatieproces, in welke instantie ook, nog gelegenheid bestaat tot de waarheid terug te keeren.

Op zich zelf bewijst dit niet de onjuistheid der beslissing, maar het komt mij vóór dat deze berust op een onjuiste opvatting van aanspraak maken op een erkenning, wat overigens de juiste omschrijving is van doen gelden. Ten gevolge van rectificatie is volgens het arrest de aanspraak niet blijven bestaan, maar dat bewijst juist dat zij bestaan heeft, dat zij gemaakt is, het eenige wat de wet vordert. En de Hooge Raad veriiest m. i. uit het oog de door hem zelf ter sprake gebrachte gelijkstelling met voorwenden; men kan

-) W. 6335; vgl. W. 6284 en 6297.

Sluiten