Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

391

ARTIKEL 416.

van den aard van het misdrijf, alleen tot die van de strafbaarheid van de daad waardoor het goed verkregen is1).

Men kan dan ook volstaan met de telastelegging dat het goed door misdrijf verkregen is. Echter behoort de rechter te onderzoeken door welk misdrijf het goed is verkregen *), waaruit volgt dat een beslissing omtrent het bestaan van dat misdrijf noodig is.

Moet de dader, aangenomen dat hij alle ter zake doende feitelijke bijzonderheden van de verkrijging van het voorwerp kende, ook hebben geweten dat het recht die verkrijging tot misdrijf stempelt? Ontegenzeggelijk zal dit het bewijs bemoeilijken in gevallen, waarin aan de strafwaardigheid niet valt te twijfelen. Aan menigen heler toch zal wellicht de geheele onderscheiding van misdrijven en overtredingen onbekend zijn. Toch zon ik hier ook niet zoo ver willen gaan om, gelijk ik bij voorbeeld bij het begrip „tijd van oorlog" geboden achtte (zie aanteekening 5 op artikel 102) het opzetvereischte geheel tot de feitelijke omstandigheden te beperken. Hier immers is juist de begunstiging van wat de strafwet met bijzondere kracht tegengaat de grond der strafbaarheid. Het gevolg zal zijn, dat bij voorwerpen door de meer alledaagsche misdrijven verkregen meestal wel voorwaardelijk opzet aangenomen zal mogen worden, maar dat, wanneer de verkrijging geschied is door een weinig bekend misdrijf, waarvan ook niet het ernstig strafwaardige karakter in het oog springt, het opzet soms niet bewijsbaar zal zijn.

6. Niet hl heling begrepen, maar daarmede gelijkgesteld is volgens het tweede lid het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van een door misdrijf verkregen voorwerp *).

Hier wordt de opbrengst tegenover het voorwerp gesteld, zoodat voordeel trekken rechtstreeks uit het bezit van het voorwerp zelf uitgesloten is. De bepaling strekt dan ook alleen tot afsnijding van de vraag of onder heling het deelen in de opbrengst begrepen kan zijn, een vraag die onder den Code pénal in verschillenden zin is beantwoord (memorie van toelichting).

*) Hooge Raad 23 December 1918, W. 10374, 7 April 1919, W. 10412, N. J. 1919, 526; anders 14 October 1912, W. 9382.

s) In hetgeen vermeld wordt in de Handelingen der Tweede Kamer 1918/1919, Beraadslagingen, blz. 2187, betreflende de aanneming van het amendement Benmer c.s„ door de Regeering overgenomen, en waarin gezegd wordt dat artikel 2a der wet van 1919 luidt: Artikel 416 van het Wetboek van strafrecht wordt gelezen als volgt, is een vergissing begaan. Het amendement bevatte wel oorspronkelijk betzelfde, maar tijdens de beraadslagingen werd het gewijzigd blijkens mededeeling van den Voorzitter, bis. 2185, zoodat het alleen strekte tot wijziging van het eerste lid van artikel 416 en het tweede lid onaangeroerd liet; dit wordt dus ten onrechte voorgesteld als uit het artikel te zijn weggenomen.

Sluiten