Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

491

ARTIKEL 446.

treffende de brandweer om, oogenblikkelijk hnlp kan gevorderd worden *).

De vordering blijft altijd een vordering ad hoe; het niet opkomen tot het verleenen van persoonlijke diensten, bij plaatselijke verorde» ningen geëischt, is een overtreding van zoodanige verordening waartegen de gemeentelijke wetgever door strafbepaling kan voorzien. Zulk een verordening houdt een wettelijk voorschrift, niet een vordering van het openbare gezag in9).

Het gevaar voor de algemeene veiligheid van personen of goederen ia volgens het opschrift van titel 7 van het Tweede boek het gemeenschappelijke kenmerk van de in dien titel behandelde misdrijven; toch kan men niet met dat opschrift te rade gaan om te bepalen wat er hier onder begrepen is. Het materieele element in die misdrijven is soms van dien aard dat onmiddellijke voorziening noch noodig is noch gevorderd kan worden. Het herstellen van een weggeraakt veiligheidsteeken voor de scheepvaart bijv. 'artikel 166), het zuiveren van een bedorven drinkwaterinrichting (artikel 172), staat verre buiten de grenzen van artikel 475 Code pénal en, wegens de bedoeling van artikel 446, ook buiten die van dit laatste, al ia het volgens het opschrift van titel 7 iets dat de algemeene veiligheid in gevaar brengt Het oogenblikkelijk dreigende van het gevaar zal dus feitelijk een bestanddeel der overtreding moeten uitmaken3).

De ontdekking op heeter daad is beperkt tot het geval dat er misdrijf is gepleegd.

4. Verplicht tot hulpbetoon is slechts hij die zonder zich aan „dadelijk", onmiddellijk gevaar bloot te stellen er toe in staat is. Noyon deed hierop volgen: „Dat niemand behoeft te doen waartoe hg niet in staat is, waarin hij dus feitelijk door overmacht is verhinderd, behoefde wel niet in de wet uitgedrukt te worden. In zooverre komt het mij onjuist vóór te eischen dat uitdrukkelijk worde uitgemaakt dat iemand, afgezien van het gevaar,' waaraan hij zich blootstelt, tot het hulpbetoon in staat was4). Het in staat zijn houdt eenvoudig verband met het persoonlijke gevaar, en de geheele uit-

s) Hooge Raad 19 Jannari 1869, w". 3087.

ja) Zie P. van der Crab, Persoonlijke diensten ten behoeve der gemeente, academisch proefschrift, Utrecht 1887, blz. 138.

*) Polenaar en Heemskerk, aanteekening 1, opperen bedenking ten aanzien van de uitdrukking „bestaan van gevaar", daar toch wegens het verband met artikel 475 12° van den Code meer het ontstaan bedoeld is. Maar zoodra het gevaar ontstaat bestaat het ook, en op het worden maar nog niet geworden zijn van het gevaar is het artikel niet van toepassing.

*) Kantongerecht Drnten 23 November 1888, cassatie verworpen bij Hoo°e Raad 25 Maart 1889, W. 5701. Zie Hooge Raad 24 Januari 1887, W. 5397.

Sluiten