Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ADEL —

opmerkelijk dat in deze breede productie het heftige en onrustige meer en meer op den achtergrond gaat raken en plaats maakt voor stillen weemoed en frissche, fleurige natuurimpressie.

Behalve lyrisch dichter was Adama van Scheltema ook dramatisch kunstenaar (Levende Steden, Meidroom), vertaler (van Ooethes Faust, Ibsens Peer Gynt) en literair-aestheticus (getuige zijn omvangrijk boek Kunstenaar en Samenleving dat in 1923 verscheen). Na zijn dood kwam nog uit het groote gedicht De Tors.

Adama van Scheltema stond ver af, om niet te zeggen vlak tegenover, de christelijke levensen kunstbeschouwing, maar onder de „jongere generatie" is hij een kunstenaar geweest, wiens beteekenis erkend moet worden, omdat hij gewezen heeft op veel schoons, op veel eigens van land en volk, op vele verhoudingen in de menschenziel en het menschenleven. En hij heeft vragen ter beantwoording voorgelegd aan zijn geslacht, die ook onzerzijds ernstige overweging verdienen. [ 45.

Adel. De adel als afzonderlijke stand komt in nagenoeg alle landen voor, die een erfelijken regeeringsvorm bezitten of vroeger bezeten hebben. In republieken vormt zich geen nieuwe adel. De adel in ons vaderland moet worden onderscheiden in ouden adel uit den tijd vóór, en nieuwen uit dien na de Republiek. Adeldom verschilt van persoonlijke onderscheidingen, zooals ridderorden, door zijn erfelijk karakter, en wordt reeds -bH de geboorte verkregen. Volgens Art. 65 der Grondwet wordt adeldom door den Koning verleend. Men onderscheidt de verleening in erkenning (indien de begunstigde behoort tot een geslacht dat oudtijds hier te lande adellijk was), inlijving (indien hij behoort tot een geslacht, dat in den vreemde adellijk is of was), en verheffing (indien zijn geslacht niet tot den adel behoort). Vreemde adeldom kan door een Nederlander niet worden aangenomen.

Adept, (van het Latijnsche adeptus, eigenlijk wie iets verkregen of bereikt heeft), ingewijde in z.g. geheime kunsten of wetenschappen; goudmaker, die zich beroemt den steen der wijzen gevonden te hebben; overtuigd volgeling.

Adlaloristische strijd. Adiafora is het Grieksche woord voor dingen van ondergeschikt belang. In de Christelijke Ethiek is het de benaming geworden ter aanduiding van die zaken, welke op zichzelf noch goed noch kwaad kunnen worden genoemd, omdat Gods Woord daarover geen duidelijk licht verspreidt. Strikt genomen zijn er natuurlijk geen adiafora. „AI wat uit het geloof niet is — zoo zegt de Schrift immers in Rom. 14 : 23 — dat is zonde." En in 1 Cor. 10 : 31 lezen we: „Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het alles ter eere Gods." Toch komt men in de praktijk van het leven telkens voor de vraag te staan, of iets al- of niet geoorloofd is, en zijn ook onder de Christenen de meeningen daaromtrent vaak zeer verdeeld.

Vooral in de Roomsch-Catholieke kerk met haar tweeërlei moraal, eene voor de geestelijkheid en eene voor de leeken, is voor de laatstgenoemden het terrein der adiafora schier onbe-

ADLER

7

grensd. Ook echter in de geschiedenis van het Protestantisme heeft de kwestie der adiafora een rol van beteekenis gespeeld en is zij in den eersten tijd na de Reformatie aanleiding geworden tot den z.g.n. Adiaforistischen strijd. Melanchton en zijn vrienden n.I., die na den Rijksdag van Augsburg in 1548 het Leipziger Interim voorstelden, ter verzoening tusschen Protestanten en Roomsch-Catholieken, wilden tal van Roomsche vormen en gebruiken (zooals de biecht, het laatste oliesel, de kleedij der geestelijken, het hebben van een altaar en van kaarsen in de kerk, enz.) tot de adiafora gerekend zien, welke desnoods ook door de Protestanten overgenomen mochten worden. Hiertegen verzetten zich echter de strengere Lutherschen. Lang en heftig is er toen over deze vraag gestreden en menig geschrift over deze kwestie heeft in dien tijd het licht gezien.

Eindelijk werd de adiaforistische strijd beëindigd, toen in 1577 in de Pormula Concordiae werd uitgesproken, dat er wèl adiafora bestonden, maar dat ze aan niemand mochten worden opgedrongen. De vrede keerde daarmede in de Luthersche kerken weder. [ 42.

Adler. I. Felix Adler, hoogleeraar in de ethiek te New-York, die in de laatste helft der vorige eeuw den stoot gaf aan de z.g. zedelijkheid-zonder-godsdienst-beweging. Het eerst vond hij gehoor onder de Duitsche immigranten in Amerika („Ethische Kultur"), daarna in breeder kring onder de Amerikanen („ethical culture"). Daarna sloeg de beweging over naar Europa, waar Adler zelf in Berlijn de organisatie ter hand nam. (Eenige jaartallen: 1860 „Bund der Radikalen" in Amerika; zelfde jaar: „American secular Union" en „Gesellschaft ffir ethische Kultur". In 1887 federatieve bond: „Union of the Societies for Christian culture". Doel: verheffing van het zedelijk leven; buiten verband met eenige religie. 1891: cursus in „toegepaste ethiek". 1892: Adler in Berlijn. Oprichting „Deutsche Gesellschaft ffir ethische Kultur", 1896 in Zurich: „Internationale Ethische Bund". 1893: Frankrijk: „Union pour 1'action morale".)

II. Max Adler, wijsgeer te Weenen, die het Marxisme en het Kantianisme poogt te verzoenen. Werken o.a.: Kausalitat und Theologie, 1904; Marx als Denker, 1908.

III. Alfred Adler, docent in de psychologie- te Weenen. Adler verwierf in de laatste jaren groote bekendheid door zijn leer, dat bij den mensch de belangrijkste factor is het verlangen naar de macht. Dit verlangen naar macht gaat gepaard met een gemeenschapsgevoel, dat iedere individu aangeboren bezit. Het gemeenschapsgevoel is de grondpijler van de menschelijke samenleving, maar door den grooten strijd om het bestaan is langzamerhand in het menschelijk geslacht ingekomen het verlangen naar machtsbevrediging. Zoodra nu op een of andere wijze aan dat verlangen niet voldaan wordt, volgt in het menschelijk leven vanzelf een teleurstelling, een minderwaardigheidsgevoel. Zulk een minderwaardigheidsgevoel geeft een beleving van onzekerheid. Dit gevoel van onzekerheid doet vanzelf weer naar andere vastheid zoeken, en zoo ontstaat dan weer een

Sluiten