Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALTING — AMBTSGENADE

11

Romana, dat nog in de eerste helft der 18e eeuw als leerboek zeer werd gewaardeerd. Het boek is merkwaardig, omdat het een der eerste pogingen is om de rechtsstof methodisch te behandelen, onafhankelijk van de positiefrechtelijke indeeling. Zijn rechtswetenschappelijk hoofdwerk is de Dicaiologia (Dicaeologicae libri tres, totum et universum jus, quo utimur, methodice complectentes), verschenen te Herborn in 1617. Zijn groote werk, dat hem beroemd maakte, is de Politica (methodice digesta et exemplis sacris et profanis illustrata), verschenen in 1603 eveneens te Herborn. Het werk beleefde zes herdrukken. Onder Politica verstaat Althusius de wetenschap der menschelijke samenleving (symbiosis), die de vraag naar het ontstaan, de ontwikkeling en de bewaring dier samenleving moet beantwoorden. Met groote scherpzinnigheid ontleedt de schrijver daarin de organische samenstelling der maatschappij, geleid door echt calvinistisch beginsel.

Met zijn Politica treedt Althusius in de rij der calvinistische monarchomachen, de schrijvers, die ter handhaving der van ouds gevestigde volksvrijheden, en in het bijzonder tot afweer van geloofsonderdrukklng tegen gezagsmisbruik en machtsaanmatiging van de vorsten in verzet kwamen.

Door zijn werk heeft Althusius een grooten invloed gehad op de staatkundige practijk. Zij, die de revolutie uit de reformatie verklaren, hebben beweerd, dat Rousseau, de vader der revolutie, rechtstreeks aansluit bij Althusius en op zijn denkbeelden heeft voortgebouwd. Zonder blinde miskenning van de onoverbrugbare kloof tusschen het beginsel der reformatie, waaruit Althusius leefde, en de principieele revolutietheorie van Rousseau, is deze opvatting niet houdbaar.

Ook zijn juridischen arbeid komt groote beteekenis toe, omdat hij door zijn geschriften de grondlegger is geweest van het staatsrecht als wetenschap. [ 54.

Alting (Menso), een der eerste Hervormingsgezinde predikanten in de Nederlanden, werd den 9den November 1541 te Eelde (Dr.) geboren. Aanvankelijk bestemd voor het priesterambt, bezocht hij eerst de Latijnsche school te Groningen en studeerde vervolgens te Munster en te Keulen. Het onderzoek der Heilige Schrift deed evenwel zijn oogen voor de dwalingen der Roomsche kerk opengaan, waarom hij in 1561 naar Heidelberg trok, om daar in de leer van het Protestantisme te worden onderwezen. In 1566 toegelaten tot het predikambt, werd hij weldra predikant te Sleen (Dr.), welke plaats hij echter, met de komst van Alva, weder verlaten moest, waarop hij naar de Paltz ging. Hier was hij achtereenvolgens predikant te Leizelsheim, te Dirmstein en te Heidelberg. Verschillende beroepen naar het vaderland werden door hem afgewezen, doch in 1575 meende hij aan het beroep van Embden, waar hij op een zijner reizen enkele malen gepreekt had, geen weerstand te mogen bieden. Den 17den October 1575 werd hij er bevestigd en heeft deze gemeente niet minder dan 37 jaar met zijn uitnemende gaven gediend.

Bij den Lutherschen graaf van Oost-Friesland, Edzard IV, in ongenade gevallen, omdat hij in 1594 te Groningen, na de inname dezer stad door Maurits en Willem van Nassau, er een dankstond gehouden had, werd hem door de stedelijke overheid van Embden de raad gegeven, zijn ambt neer te leggen. Zijn gemeente wilde hem echter niet laten gaan, zoodat Alting bleef. Eerst de dood, welke hem den 7den October 1612 overviel, maakte een einde aan Alting's arbeid te Embden. Hij werd begraven in de Domkerk aldaar, terwijl zijn laatste rustplaats door Ubbo Emmius met een grafschrift werd versierd. [ 42.

Alumnus (van het Latijnsche atère, voeden), voedsterling, kostganger, kweekeling, die kosteloos onderwijs geniet, gevoed en gekleed wordt. In het Gereformeerd-kerkelijk spraakgebruik worden alumni die jongemannen genoemd, welke naar Art. XIX Dordtsche Kerkorde bij hun theologische, of ook reeds bij hun gymnasiale studiën ondersteund worden.

Ambrosiaansch Kerkgezang. Ambrosius, de bisschop van Milaan (340—397), heeft veel gedaan tot hervorming van het kerkgezang. Hij heeft een eigen soort gezang ingevoerd, eenstemmig en met uitsluitend gebruik van diatorische toonladders, d. w. z. met gebruik alleen van de tonen der toonlanders, die in dit gezang thuis hooren, zonder verhoogingen of verlagingen.

Het Ambrosiaansch Kerkgezang omvat slechts vier authentieke toonsoorten, n.1. de dorische, mixolydische, phrygische en lydische. Later heeft paus Gregorius de Groote daaraan toegevoegd de vier z.g. plagale toonsoorten, die de bovengenoemde vier namen dragen, maar met het voorvoegsel hypo. (Men vergelijke de artikelen op Gregortaansch Gezang en Kerktoonsoorten.)

Ambrosius heeft ook verschillende hymnen vervaardigd. De beroemde lofzang „Te Deum Laudamus" schijnt ten onrechte door sommigen aan hem toegeschreven te worden. [ 33.

Ambrosiaanscbe Bibliotheek. Deze boekerij bevindt zich te Milaan en is in 1609 door kardinaal Frederico Borromeo voor 't algemeen gebruik opengesteld. Men heeft haar aldus genoemd naar bisschop Ambrosius, die de beschermheilige van Milaan was. De boeken heeft Borromeo op zijn eigen kosten door geleerden, die hij daartoe uitgezonden had, laten aankoopen. Deze bibliotheek bevat thans 160.000 boekdeelen en 8.000 handschriften. Tot deze laatste behoort één deel van de handschriften van Leonardoda Vinei.

Aan deze boekerij is een museum van kunstwerken verbonden. [ 33.

Ambtsgenade. Hieronder verstaan wij de genade, die God geeft tot de vervulling van het ambt in de kerk van Christus. Om deze genade niet onzuiver op te vatten moeten wij ons eerst rekenschap geven van het onderscheid, dat er in dit punt bestaat tusschen Rome en ons. Rome geeft aan het ambt een zeer bijzondere plaats; de ordening tot het ambt, de priesterwijding is bij haar een sacrament; door dit sacrament wordt aan den priester een bovennatuurlijke genade, een ambtelijke gave des Heiligen Geestes verleend, die hem boven het aardsche verheft,

Sluiten