Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OILL — GLADIATOR

191

nis der gilden tot een° minimum geslonken. De aanwijzing van dekens en overlieden geschiedde door de stadsbesturen. Het aantal gilden breidt zich uit door verdere differentiatie van het ambacht. Sterker nog gaat men te keer tegen de z.g.n. beunhazerij. Zoo was het gildewezen in de 17e eeuw een bolwerk voor het kleinbedrijf tegen het grootbedrijf. In tal van bedrijven kon het nog langen tijd ontwikkeling en vooruitgang tegenhouden.

De staatsregeling van 1798 bepaalde in het 53e artikel, dat alle gilden, Corporatiën of Broederschappen van Neringe, Ambachten of Fabrieken vervallen verklaard werden. Het tweede lid van dit artikel verduidelijkte nog, waarom dit geschiedde:

„Ieder Burger, in welke plaats woonachtig, heeft het recht om zoodanige Fabriek of Trafiek op te richten of zoodanig eerlijk Bedrijf aan te vangen, als hij verkiezen zal".

Een organisatiefout van het regeersysteem tijdens de republiek, de stedelijke autonomie, had zich gewroken. Ten onrechte had men het kleinbedrijf geketend aan de gildenorganisatie en de grootindustrie belemmerd. Bovendien mag niet worden vergeten, dat de gilden in den lateren tijd patroonsorganisaties waren geworden. Vandaar dat, in de 17e en 18e eeuw de gezellen, ontevreden geworden, meermalen oproerig werden. Ook dit laatste heeft ongetwijfeld bijgedragen tot verdwijning van het geheel verouderde gildewezen.

Maar een fout van de Fransche revolutie is het geweest, aan het oude een eind te maken, zonder er iets nieuws tegenover te zetten of ervoor in de plaats te geven. Onder dat gemis aan een behoorlijke bedrijfsorganisatie zuchtte de 19e eeuw en ook onze tijd slaagde nog niet dit euvel weg te nemen.

„Bij de gilden kwam de organisatie vit het bedrijf op, om eerst daarna ook door de Overheid geijkt te worden en zoodoende rechtskracht te erlangen. En in dien zin pleiten ook wij er steeds voor, dat het bedrijf in zijn twee deelen de gelegenheid erlange, om zich opnieuw, naar eigen levenswet, te organiseeren, en vragen we aan de Overheid, dat deze daarna aan de aldus tot stand gekomen regeling door de wet dwingende autoriteit zal verleenen" (Kuyper, Standaard 1908).

Literatuur: Dr H. E. van Gelder in: Nederland door de eeuwen heen II, blz. 252 v.v.; A. J. M. Brouwer Ancher, De Gilden; Mr S. Muller, Schetsen uit de Middeleeuwen* [ 54.

GUI (John), (1697—1771), nonconformistisch predikant, geboren uit arme ouders, maakte veel opgang als prediker, sinds 1757 te Londen. Gill was een vurig Calvinist, ook een groot geleerde, m. n. bedreven in het Hebreeuwsch. In 1748 verleende de Universiteit van Aberdeen hem den graad van doctor in de godgeleerdheid. [ 17.

Girondijnen. Bij de verkiezingen voor de Legislative (1791) in het revolutionaire Frankrijk waren een aantal theoretici en idealisten gekozen, wier partij, naar het oord waar de voornaamsten vandaan kwamen, Girondijnen werden genoemd. Evenals de Jacobijnen waren zij aanhangers van het dogma der volkssouvereiniteit,

maar dezen vormden de uiterste linkerzijde, terwijl zij in hun eersten tijd nog wel met den Koning Lodewijk XVI wilden samenwerken: een hunner leiders, Roland, was een korten tijd minister. Zij dreven de verklaring van den oorlog aan den keizer door, hun bedoelingen waren deels imperialistisch: verovering van den UnkerRijn-oever, deels idealistisch: bevrijding der volken van hun tyrannen, in casu: hun wettige overheden. Na de schorsing van den Koningen de afschaffing van het koningschap in Augustus en September 1792 verzetten zij zich tegen de gewelddaden der Jacobijnen; ze waren antikoningsgezind geworden, maar wilden de veroordeeling van Lodewijk XVI niet, ze trachtten hem te redden, maar hun zwakke pogingen faalden. Na het verraad van een hunner voormannen Dumouriez, die na de nederlaag bij Neerwinden naar den vijand overliep (April 1793) begon de strijd der Jacobijnen tegen hen, die met hun val eindigde, Juni 1793. Zij vluchtten uit Parijs of stierven onder de guillotine, slachtoffers van hun eigen beginselen, welker consequente toepassing zij wilden beletten. [ 46.

Gladiator. Komt van het Latijnsche woord gladius, zwaard. De gladiatoren waren bij de Romeinen de strijders die in de arena, het strijd- en worstelperk, in publieke tentoonspreiding van hun kunstvaardigheid, met elkander vochten op leven en dood. Het gebruik was afkomstig uit Etrurië.

In Rome gaven voor de eerste maal in 264 v. Chr. Marcus en Decimus Brutus, bij de begrafenis huns vaders, de voorstelling van een gladiatorengevecht; sedert 105 v. Chr. werden deze gevechten door hooge staatsdienaren ambtelijk ingesteld en in den keizertijd ook in Griekenland en Klein-Azië ingevoerd.

In de laatste eeuw van de republiek en in den keizertijd behoorden ze tot de rij der volksvermaken. Hartstochtelijk was het volk er op verzot. Onder Augustus vochten 120 mannen; onder de latere keizers, Caligula, Claudius, Nero, Trajanus, Hadrianus, steeg dit aantal zeer aanzienlijk. Keizer Commodus trad zelfs zelf als gladiator op. Onder Trajanus werd een feest gegeven dat meer dan honderd dagen duurde, waarbij men elfduizend dieren doodde en tienduizend gladiatoren streden.

De gevechten vonden In den regel in amphitheaters plaats. De gladiatoren waren meestal slaven of krijgsgevangenen, of veroordeelde misdadigers of ook menschen die er zich vrijwillig voor opgaven. Zij werden in eigen inrichtingen onderhouden en geoefend, onder opzichters. Ze werden later in den politieken strijd een machtig wapen.

Men onderscheidde hen volgens hun wijze van bewapening. Hoofdonderscheiding is: zwaaren lichtgewapende. De lichtgewapenden waren de retiarii, bewapend met een schild aan den linkerarm, een net om er den (anders-bewapenden) tegenstander in te vangen en een dolk. Voorts de velites en de secutores. De zwaarbewapenden (Galli, Myrmillones, Samnites, Threces) hadden schild en zwaard. Het zwaarst bewapend waren de hoplomachi. Sommigen streden te voet, anderen te paard, nog anderen

Sluiten