Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Labyrintb, in de oudheid een monumentaal en kunstvol gebouw, met een zoo groote menigte elkander kruisende gangen en ineenloopende kamers, dat men er licht In verdwaalde. De beroemdste waren: het labyrinth in Midden-Egypte,

en het laoyrintn op is.reia.

't Woord wordt ook gebruikt voor: doolhof, tuin met vele kunstig dooreengevlochten slingerpaden. In oneigenlijken zin verstaat men er onder: een verwarde, duistere zaak; het duistere, raadselachtige in het leven, enz. In de anatomie: het doolhof van het oor, achter de trommelholte gelegen.

Lagas. We geven hier eenige aanvulling op het artikel: Sumeriërs. De oudste heerschervan de Sumerische stad Lagas, die in dat artikel genoemd wordt, is Ur-Nina; zie Deel V, blz. 331, kolom 1. Er ls echter wel een vroeger feit uit de geschiedenis van Lagas bekend. Eannatum, de kleinzoon van Ur-Nina, en Entemena, de tweede opvolger van Eannatum, maken in hun opschriften melding van dit feit. Ze verhalen, dat Mesilim, koning van de stad Kis, de grenzen tusschen Lagas en het naburige Umma had vastgesteld, en daarbij een gedenksteen had opgericht Verder weten we uit een opschrift van Mesilim, dat in zijn dagen een zekere Lugalsag-engur over Lagas regeerde. En dit moet geweest zijn vóór den tijd van Ur-Nina.

Onder alle Sumerische heerschers, van wie we opschriften bezitten, is er niet één, van wien we zeker weten, dat hij voor Mesilim heeft geleefd. Wel stelt C. L. Woolley de eerste dynastie van Ur vroeger, en bij hem heb ik me min of meer aangesloten. Maar sommige geleerden zijn het niet met Woolley eens. Volgens V. Christian en E. F. Weidner (Archiv für Orlent/orschung, Band V, bladz. 141, Berlijn 1929) regeerde de eerste dynastie van Ur in denzelfden tijd als Ur-Nina van Lagas. Hiermede is nog wel niet het laatste woord gesproken. Maar toch verdient ook deze opvatting te worden medegedeeld.

Voorts is vermeldenswaardig, dat Christian en Weidner de oudere heerschers van Lagas in een lateren tijd stellen dan men gewoonlijk doet. Volgens hen regeerde Mesilim circa 2650 v. C, Ur-Nina circa 2620, Eannatum circa 2580, Entemena circa 2550, Urukagina circa 2520. Gelijktijdigheid van dynastiën wordt door hen op nog veel grooter schaal aangenomen dan door Woolley. Het is van belang nadruk te leggen op de

groote onzekerheid, waarin we verkeeren ten opzichte van de chronologie der oudste dynastiën

in Babylonië. Meer vastheid in de chronologie komt er pas met de derde dynastie van Ur; zie Deel V, bladz. 331, kolom 2. Kort voor de opkomst van deze dynastie regeerde in Lagas Gudea, een zeer bouwlievend vorst, wiens uitgebreide opschriften veel bijdragen tot onze kennis van het Sumerische leven. Christian en Weidner nemen aan, dat hij omstreeks 2290 v. C. regeerde. In nog later tijd is Lagas een onebduidende provinciestad geworden. [ 23.

Land (Jan Pleter Nlcolaas), Nederlandsch wijsgeer, is 23 April 1834 te Delft geboren, in 1864 benoemd tot professor aan het Athenaeum te Amsterdam en in 1872 tot hoogleeraar in de filosofie te Leiden, welk ambt hij bekleed heeft tot 1896, waarna hij in 1897 is gestorven. Hoewel hij op het gebied van de Oostersche talen en de muziekgeschiedenis veel heeft gepraesteerd, bleef toch de wijsbegeerte zijn hoofdvak. Zijn voornaamste werken zijn de Inleiding tot de Wijsbegeerte, 1889 1900», en De Wijsbegeerte in de Nederlanden, na zijn dood, in 1899, uitgegeven door Mr C. van Vollenhoven. Met Dr J. van Vloten bezorgde hij in 1882/3 een uitgave van de werken van Spinoza en van 1891—1893 heeft hij de Opera phüosophlca van Geulincx het licht doen zien. Hij was filosofisch eclecticus; heeft oa. den strijd aangebonden tegen het empirisme van Opzoomer en Allard Pierson. Een voortreffelijk levensbericht over Land is gegeven door Dr C. Bellaar Sprayt, hetwelk opgenomen is in Lands Wijsbegeerte in de Nederlanden. [ 14.

Landbouwonderwijs. Een van de merkwaardige eigenschappen van het Landbouwonderwijs in Nederland is, dat het bestaat, dat het, indien 7- „o.rïoMiioro 7»Hp orpcrpvpn. wordt eesubsi-

deerd, maar dat het bij geen enkele wet is geregeld.

Alles hangt hier af van ministerieele besluiten, hetgeen in ongunstige gevallen zou kunnen beteekenen: van de willekeur van een departement. Pl.m. 1924 werd een poging gedaan het Landbouwonderwüs wettelijk te regelen. Het toenmalige desbetreffende wetsontwerp werd evenwel dermate ongunstig ontvangen, dat het niet in behandeling werd genomen.

Practisch is thans (November 1930) de toestand deze, dat per jaar tien nieuwe lagere landbouwscholen kunnen worden geopend; dit zijn dan drie z.g. neutrale (rijks- of gemeente) scholen; drie Roomsen-Katholieke en drie Protestantsch-Christelijke, terwijl omtrent één school incidenteel een beslissing valt.

Sluiten