Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NATUURLIJKE

kunnen terug vinden, maar dan staat veeleer de schepping als eene vijandige macht tegenover ons, zoodat er geen beter manier is om tot kennis der dingen te geraken dan ontvluchting der wereld en stille overpeinzing in de eenzaamheid. Het is dan ook juister om niet te spreken van aangeboren of ingeschapen Godskennis, aangezien de gevallen mensch volstrekt niet door God begiftigd is met het vermogen, om uit zich zeiven zonder eenige openbaring Gods zich de Godsidee te vormen. Beter is het deze Godskennis de natuurlijke te noemen en haar aldus te omschrijven: De mensch is door God begiftigd met het vermogen en de neiging, om in den normalen ontwikkelingsgang en te midden der omgeving, waarin hij geboren wordt, van zelf en zonder dwang, zonder wetenschappelijke redeneering en bewijsvoering tot eenige kennis van God te komen. Of korter uitgedrukt: elk mensch ontvangt bij zijne geboorte hefvermogen, om zoodra hij in aanraking komt met de algemeene openbaring Gods, zich de Godsidee te vormen. De mensch moet hiertoe komen evengoed als hij, die zijne oogen open doet, de dingen om zich heen moet aanschouwen. Geheel ten onrechte ontkenden de Socinianen dan ook, dat dit vermogen den mensch eigen is, en beweerden ze, dat alle Godskennis haar oorsprong dankt aan het feit, dat God zich op eene bijzondere wijze aan Adam geopenbaard heeft, terwijl dan deze bijzondere openbaring door hem aan zijne nakomelingen meegedeeld en zij alzoo door het eene geslacht aan het andere overgeleverd is. De Heilige Schrift wijst op deze natuurlijke Godskennis in Hand. 14 : 16, 17; Rom. 1 : 19 en 20; 2 : 14, 15.

3. De met rede begiftigde mensch heeft ten allen tijde gepoogd deze natuurlijke Godskennis door nadenken en onderzoek te verhelderen. Niet tevreden met de wetenschap, dat God er is, tracht de mensch ook dien God te kennen en te bewijzen, dat zijn geloof aan God voldoende gemotiveerd is. Deze kennis plegen we de natuurlijke verkregen Godskennis te noemen. Daarmede is dus niet bedoeld de kennis van God, die we putten uit den Bijbel, maar de door nadenken en onderzoek eenigszins verhelderde natuurlijke Godskennis. Als de mensch de werken Gods in de natuur en de wegen der Voorzienigheid aanschouwt en daarover ernstig nadenkt, dan wordt de natuurlijke Godskennis, die slechts vaag is, verhelderd, dan ontvangt zij meer stof en inhoud, en dan geeft de mensch zich rekenschap van zijne gewaarwordingen en tracht hij uit zijne beseffen een zeker stelsel op te bouwen en aan zijne gedachten in eenige stellingen uitdrukking te geven.

4. De natuurlijke en de verkregen Godskennis schenken den zondaar geen zuivere Godskennis, geen kennis van den eenigen en waarachtigen God. Meermalen is dit anders voorgesteld. Door nadenken en redeneeren zocht men dan uit de natuurlijke Godskennis een soort algemeene theologie of natuurlijke Godgeleerdheid op te bouwen — wel minder omvattend dan de uit de bijzondere openbaring geputte Christelijke theologie maar toch waar. Langs drie wegen meende men de vage Gods-idee te kunnen uit-

GODSKENNIS

313

breiden, a. De weg der ontkenning — al het onvolkomene, eindige, beperkte, hetwelk aan het schepsel eigen is, wordt aan God ontzegd. b. De weg der opklimming — alle voortreffelijkheid, die de wereld, inzonderheid de mensch te aanschouwen geeft, wordt in absoluten zin Gode toegekend, c. De weg der oorzakelijkheid — van de wereld als effect of product wordt geconcludeerd tot het bestaan en de volmaaktheid van God, als oorzaak der wereld. Langs den eersten weg kwam men tot de onmededeelbare eigenschappen als oneindigheid, onveranderlijkheid enz.; langs den tweeden weg tot de mededeelbare eigenschappen als wijsheid, goedheid, rechtvaardigheid; langs den derden weg tot zijn betrekkelijke eigenschappen, waarbij God in Zijn betrekking tot de van Hem afhankelijke wereld gedacht wordt, als Zijn wil, almacht. Toch is dit streven met vruchteloosheid geslagen. Ongemerkt oefende bij 't opbouwen van zulk een natuurlijke theologie de bijzondere openbaring haren invloed en liet ze er onwillekeurig iets van haar licht op vallen. Zulk een natuurlijke Godgeleerdheid wordt dan ook bij geen enkel volk gevonden. Nergens treft men een religie aan, die wel niet zulk een volle ontplooiing verkreeg als de Christelijke maar die toch zuiver en waar is en aan de geopenbaarde Godgeleerdheid kan voorafgaan. Aan eigen nadenken en redeneeren overgelaten, leidde de natuurlijke Godskennis altoos weer tot afgoderij. Slechts door de Heilige Schrift krijgen we den rechten blik op de openbaring Gods in de natuur, in de geschiedenis en in het geweten. Zoo staan de kennis Gods uit de natuur en uit de Schriftuur niet los naast elkaar. Integendeel. Slechts bij het licht, dat van de bijzondere openbaring uitstraalt, vermag de mensch op de rechte wijze op te vangen de sprake Gods, die de natuur hooren doet.

5. Uit het gegeven der natuurlijke Godskennis is het te verklaren, dat de mensch telkens weer den drang in zich heeft gevoeld, om met bewijzen het bestaan Gods te staven. De Heilige Schrift doet zoo niet. Ze spreekt met autoriteit uit, dat God er is en dat Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid zelfs door den heiden uit de werken Zijner handen kunnen worden gekend. Ook, dat men al zeer diep moet zijn gezonken, wanneer men weigert te erkennen, dat God er is. Zoo doet alleen de dwaas (Psalm 14 : 1). Hierin ligt voor ons een gewichtige aanwijzing. Het geloof aan het bestaan Gods kan niet zijn het product van een streng-logische redeneering, omdat ons verstand van nature verduisterd is en onze wil boos. Trouwens we zouden een armzalige religie hebben, als ze op zulke bewijzen steunen moest. Veeleer moeten we van het bestaan Gods uitgaan en ieder bestraffen, die het wagen durft dat te loochenen. Al hebben nu de zoogenaamde bewijzen voor het bestaan van God deze waarde, dat er uit blijkt, dat het redelijker is om te gelooven dan om niet te gelooven, toch zijn het geen bewijzen in den stipten zin van het woord. De Roomsche kerk denkt hier anders over. Dit hangt saam met haar leer, dat de filosofie zich moet bezighouden met de natuurlijke Godskennis en ze ons ware

Sluiten