Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

344

PENNING — PINDARUS

meene ideeën en afgetrokken principes. Hij was integendeel een geest, bij uitstek praktisch, bij elke stap de feiten raadplegend gelijk een zeeman de gesteldheid der lucht, zoekend vooral het succes, voorzichtig en behoedzaam. Ofschoon de aristocratie hem bij zijn intrede in het politieke leven opnam en hij diende in haar gelederen, heeft hij zich nimmer aan haar gegeven; hoewel Tory, was hij als staatsman aan de democratie het meest sympathiek en het meest getrouw". [ 46.

Penning (Willem Levinus), Nederlandsch dichter, geboren 1840, overleden 1924, kwam na zijn schooljaren op een fabriekskantoor, maar moest, even 40 jaar oud, wegens gezichtsverzwakking zijn werk neerleggen. Hij was toen al met dichterlijken arbeid begonnen (Tienden van den Oogst, Schakeering). Door dat werk trok hij de aandacht van Kloos en straks van Verwey. De laatste vooral hielp den intusschen geheel blind geworden dichter voort, introduceerde hem In 't Tweemaandelijksch Tijdschrift en in De Beweging en moedigde hem aan tot verderen arbeid. Zoo verschenen achtereenvolgens Benjamins Vertellingen, Kamermuziek, Sint Janslot, Toms Dagboek, verhalende poëzie veelal, vol van blijde en weemoedige stemmingen en rijk aan verbeelding en herinnering. Penning had nog iets van de veertigers (vgl. Tienden van den Oogst); hij bewonderde trouwens Staring, Beets en Potgieter — maar aan den anderen kant kenmerkte hem wat karakteristiek was voor de Tachtigers: het klankrijke, het impressionistische, het zuivere. Daarom staat hij in de literatuurgeschiedenis geboekt als een voorlooper van Tachtig, een, In wien het oude en het nieuwe vereenigd waren. Als verhalend dichter neemt hij bovendien een geheel eigen en in de moderne literatuur nog altijd zeldzame plaats in. Maar hij was ook lyricus, en dan dichter van natuur-sonnetten. Op zijn 80en verjaardag werd hem een bundel Levensavond gewijd (bloemlezing uit eigen werk). Een zevental bundels vormen zijn gansche werk, maar dat weinige is goed en heeft blijvende beteekenis. [ 45.

Pentateuch, Deel IV, bladz. 547, kolom 2, regel 18 van onderen. Wiener, die een Jood was, is in 1929 bij de opstootjes in Palestina door een der Arabische oproerlingen doodgeschoten. [ 10.

Pentecostals komen in onderscheiden staten van Noord-Amerika en in Canada voor (zie het art.: Pentecostal Holiness Kerk). Een oor- en ooggetuige gaf van hunne vergaderingen de navolgende beschrijving:

„De Pentecostals hebben in de plaatsen, waar zij voorkomen, hun eigen lokalen. Op hun bijeenkomsten, zij nebben geen bepaalden predikant, krijgt een van de aanwezigen „den geest" en begint dan te praten en te roepen, maar Pentecostals schijnen zeer nerveus en emotioneel te wezen en weldra krijgen velen den geest en ontstaat er een hevige opgewondenheid, waarbij armen en beenen in beweging komen, stoelen en lessenaars door hun krampachtige bewegingen worden gebroken, maar 't komt niet tot vechten, 't is maar extase. Soms schiet de voorganger

in zijn vuur voorover uit het spreekgestoelte, maar ook dat loopt zonder ongelukken af; hij wordt gedragen door den geest, zooals hij zegt. Ik raad echter lederen niet-Pentecostal aan om een plaats dicht bij den uitgang te kiezen. De minste schrik of ontroering brengt een Pentecostal in actie. Iemand vertelde me, dat hij in een kapperswinkel geholpen werd, terwijl in den stoel naast hem een heer werd geschoren. Bij ongeluk liet de kappersbediende een schaar of een borstel vallen en dat onverwachte geluid was genoeg om den ingezeepten klant te doen opspringen en onder het uitstooten van opgewonden verwarde taal getuigenis van den geest te doen afleggen. Pas toen die geest weer geweken was, kon de barbier 's mans gezicht verder bewerken. In den trein gebeurt het soms ook, dat een onverwacht geluid een reiziger in eens aan 't babbelen brengt, van woorden zonder slot of zin of in een onbekende taal. De andere reizigers kijken even op uit hun lectuur of over hun groote couranten, maar lachen niet. Ge hoort zeggen: „Pentecostal" en de lectuur wordt hervat. Als de geest bij den Pentecostal heeft uitgewoed, verliezen zijn oogen weer de starende, afwezige uitdrukking en nog een beetje bleek van zooveel extase, herneemt hij zijn plaats tusschen zijn phlegmatieke mede-reizigers.

Een nog meer opgewonden secte is de secte der Hornenieten. Hun zetel is Kingston. Ook de Hornenieten krijgen den geest, maar hun uitingen zijn woester en fanatieker. Mannen en vrouwen draaien woest in 't rond, gooien zich op den grond, bonzen met het hoofd tegen den muur, tegen den vloer, tegen de treden van het spreekgestoelte onder het uitstooten van den kreet: „Jesus, save mei" — „Jezus, red mijl" Indien ze een godsdienstoefening op straat houden worden er bossen stroo neergelegd, om de bonzende hoofden en trappende beenen en zwaaiende armen wat te beschermen. Het doet denken aan de fanatieke dansen der Derwisjen."

Bij deze Hornenieten vinden we dus meer de excessen.

De Pentecostals lijden aan een overgroote emotionaliteit.

Volgens de duidelijke gegevens der Schrift werkt echter de Geest juist veel meer in dezen zin, dat Hij rustig en bezonnen maakt; de vurige Petrus spreekt op den Pinksterdag in heldere uiteenzetting der waarheid, in klaren betoogtrant, met kalme overtuigingskracht.

De werking van den Geest is er juist op uit de onrust wèg te nemen uit hart en leven. [ 41.

Pindarus, Griekenland's grootste lierdichter (521—442), een man, wiens roem tot ver buiten de grenzen van zijn vaderland was doorgedrongen. Bij de vorsten van Macedonië en Cyrene stond hij hoog aangeschreven, en met de Sicillaansche tyrannen Theron en Hiero was hij persoonlijk bevriend. Van zijn dichterlijke nalatenschap zijn nog bewaard gebleven de 45 zegezangen ter eere der overwinnaars op de nationale spelen, in 4 rubrieken: de olympische, de pythische, de nemeïsche en de isthmische, alle krachtig en rijk van taal, verheven en stout van gedachten, kunstvol van behandeling en gespierd van versbouw.

Sluiten