Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

376

SEGHERS

noodzakelijk diepgaande studie van de Gereformeerde Theologie moest worden gemaakt. Aangetoond moest worden de innerlijke eenheid van dit leerbegrip; ook dat het meer consequent en systematisch is dan het Luthersche leerstelsel. Dan, in dezen nieuweren tijd kan de Gereformeerde Theologie niet zoo maar voetstoots worden overgenomen. De eeuwen der Dogmatiek zijn voorbij. De oude dogma's zijn uit het hedendaagsche geloofsbewustzijn verdwenen. Daarom mag ook kritiek, mits uit de grondbeginselen van het Calvinisme, niet verwaarloosd. Een Theoloog kan en mag thans geen Dogmatiek meer schrijven. Hij moet zich vrijmaken van de boeien der oude dogma's en kan alzoo slechts eene „Glaubenslehre" geven. Het karakteristieke van zulk een Geloofsleer moet dan echter zijn de vereeniging van het Gereformeerde dogma der praedestinatie met het absolute-afhankelijkheids-gevoel van Schleiermacher. Zoo doet deze Zwitsersche Theoloog ons herhaaldelijk denken aan Scholten en het bevreemdt ons niet, dat de Vader der Moderne Theologie in zijn hoofdwerk ook naar Schweizer verwijst. Beiden wilden ze Gereformeerde Theologen zijn, die de Gereformeerde Theologie tot verdere ontwikkeling brachten. Maar feitelijk is bij beiden deze verdere ontwikkeling uitgekomen op een breken met de Gereformeerde leer, ja met de hoofdwaarheden der Christelijke religie.

5. Volgens Schweizer doorliep de religie deze drie phasen: Natuur-religie, Wetsreligie en Verlossingsreligie. Hoe volkomen of onvolkomen wij de wereld ook kennen, het vrome gevoel is zich steeds bewust geweest, dat zij, evenals wij menschen zeiven, geheel van God afhankelijk is. De wereld ls door God geschapen en wordt door Hem gedragen. Maar juist wijl dit zoo is, daarom moet God ook de deugden van Alwetendheid en Almacht bezitten. Dit is dan ook de Gods-idee, welke de natuurlijke religie zich vormt. Dan, in de natuurlijke school ook reeds de zedelijke religie. God is ook de schepper van de zedelijke wereld èn omdat Hij ons als redelijke en zedelijke wezens schiep èn omdat Hij de zedelijke wereldorde in het leven riep en door beide ons zedelijk leven deed ontluiken. Thans leeren wij God ook kennen als den goeden, wijzen en rechtvaardigen Ood. Immers waar we er ons van bewust zijn, dat de zedelijke wereld uitgaat boven de natuurlijke, daar moet ook onze Gods-idee verhevener worden. In deze beide religies sluimerde reeds de Verlossingsreligie en allengs kwam zij tot geleidelijke openbaring. Nu gevoelen we ons gelukkig in de genaderijke liefde en de barmhartige wijsheid des Vaders. Ook het gevoel van afhankelijkheid openbaart zich hier op 't schoonst, aangezien we ons tegenover God niet langer als dienstknechten maar als zonen gevoelen. Dit proces der religie moet alleen uit natuurlijke oorzaken verklaard worden. Er is niet tweeërlei maar alleen natuurlijke openbaring Gods. Zelfs de Verlossingsreligie is niet het produkt van een in het leven der menschheid ingrijpend raadsbesluit Gods. Deze religie trad dan ook niet eerst op met de menschwording Gods. In kiem was zij reeds aanwezig in de wetsreligie

van het Oude Testament. De vromen der oude bedeeling en de „selig gewordenen der auszerbiblischen Welt" zijn dan ook niet zalig geworden door hun gehoorzaamheid aan de wet maar evenals wij door het geloof in de barmhartigheid Gods en door de wflze van rechtvaardiging, welke aan de verlossingsreligie eigen is. Het christendom is niet anders dan de volledige reallseering der idee, welke van meet af in de Verlossingsreligie gevonden werd. Dan, dit neemt niet weg, dat het christendom de hoogste phase is in de ontwikkeling der religie, ja dat zich geen hooger phase denken laat, omdat de idee zelve der religie in het christendom gerealiseerd is. Christus is de drager en de Middelaar van deze voltooide Godsopenbaring. De ethi8ch-reHgieuze verlossing, welke het Christendom predikt, is door Christus geopenbaard en daadwerkerkelijk door Hem bemiddeld. Daarom heeft dan ook de stichter van deze religie eene geheel andere beteekenis dan dit bij de andere godsdiensten bet geval is. Christus zelf was de zuiverste Godsopenbaring: de eenheid Gods en des menschen. Niet als zou de tweede Persoon der Godheid zich met een mensch hebben verbonden. Neen in Christus is voltooid de idee van den innig met God verbonden mensch. Deze idee straalt ons ongehinderd uit heel zijn verschijning tegen, ja ze is pas door haar recht aanschouwelijk geworden. Christus zelf behoefde dan ook geen verlossing. Niet de Zoon maar de verlossende liefde Gods is in Hem op aarde verschenen. Door deze liefde werd heel zijne persoonlijkheid gedragen. Zij ls In Hem vleesch geworden en als zoodanig is Hij de eeniggeboren Zoon Gods. De God-menschelijke idee wordt ook in ons verwezenlijkt, wanneer we den Geest Gods in ons laten werken. In Christus greep centraal plaats, wat in ons slechts gebrekkig en slechts door Hem tot stand komt. De leer van de praeëxistentie van Christus, van Zijne bovennatuurlijke geboorte, van de twee naturen iu eenigheid des Persoons en van Christus' zeenverdiensten moet door ons terzijde gesteld. Slechts in zooverre is Christus Gods eeniggeboren Zoon en is God in Hem mensch geworden, als de verlossende liefde Gods in Hem vleesch werd Geheel ten onrechte beriep Schweizer zich voor deze phllosophie op den regel der Gereformeerden : „Het eindige kan het oneindige niet bevatten," welken zij zoo krachtig handhaafden tegenover de Lutherschen, die het tegendeel beweerden. Christus sloeg wel alle verzoekingen tot zonde af, maar zondige lusten en gedachten rezen toch in zijn binnenste op, verzoeking tot eer- en heerschzucht. Dit bracht zijn groote roeping vanzelf mee. En vandaar dat Christus ook de vijfde bede van het „Onze Vader" tot de zflne maakte. [ 25.

Seghers (Hercules), een landschapschilder van de Hollandsche School, werd in 1590 te Haarlem geboren als zoon van Pleter Seghers. Reeds als knaap vinden wij hem te Amsterdam, waar hij al vroeg in de leer kwam bfl den Vlaamsehen schilder Gilles van Contnxloo (f'606), aan wien zijn vader leergeld voor hem betaalde. Als zelfstandig kunstenaar ontmoeten wij hem het eerst in 1612 te Haarlem, waar hij lid van

Sluiten