is toegevoegd aan uw favorieten.

Simeloengoen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

78

SIMELOENGOEN

Hun werd een zoon, Nai Horsik, geboren, die hem opvolgde en later naar Partoeban verhuisde, alwaar een zoon van Nai. Horsik werd geboren, die Maralam (weldadig) heette. Dicht bij zijn woonplaats was een op een heuvel gelegen kampong Sampang Boeahni, welke voor een naderenden vijand zoo goed als onneembaar was. Slechts één weg leidde er heen, terwijl de kampong, die maar een oppervlakte van ongeveer 4 H.A. had, door hooge rotsen begrensd was. Daar sloeg men bijna iederen nacht de gonrang (deze wijze van muziek maken wordt manggoeal genoemd), zoodat Toehan Maralam niet slapen kon. Daarom besloot hij Sampang Boeahni aan te vallen. Hij liet daartoe een stevig rotankoord vlechten. Dit liet hij over den wal van de kampong werpen. Toehan Maralam en de zijnen klommen er tegenop en verrasten op die wijze de niets kwaads vermoedende kampongbewoners. Toehan Maralam onderwierp de kampong en werd van dat oogenblik Toehan Bedar Maralam geheeten (bedar is een soort klipgeit). Toehan Bedar Maralam bond den strijd aan met vele kampongs van Nagoer en onderwierp o. a. Partibi Sinomba, dat Si Gandjang Kateas (= langvoet) tot hoofd had. Zijn mes (Soeroek Sekkoeng) werd in den strijd veroverd en onder de ornamenten van Dolok Silo opgenomen (bestaat nog).

Hiermede is het ontstaan van het rijkje Dolok Silo geschetst.

Poerba.

De eerste radja van Poerba was uit de Pakpaklanden afkomstig. Hij was iemand van de marga Poerba, die zijn levensonderhoud won met de vogeljacht. Eens was hij in het Sidikalangsche op de „Toentoeng Batoe" aan het jagen en trof hij met zijn blaasroer een vogel; evenwel niet doodelijk. Hij wilde het dier vangen, doch telkens vloog het weer een eindje op, viel dan weer neer en verwijderde zich al meer van den Tóentoeng Batoe. De jager volgde zijn prooi, totdat hij in Nago Radja (wellicht Nagoer Radja) kwam, een kampong, die eertijds tot Nagoer behoorde en thans onder Raja ressorteert. Daar zag hij den vogel niet meer. Hij ging de kampong binnen en men noemde hem