is toegevoegd aan uw favorieten.

De wet op de inkomstenbelasting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

89

Abt. 6

4276), waar zonder belang ia genoemd de vraag of de bedrijfsresultaten de uitdeeling in een bepaald jaar wel hebben toegelaten, maar dat zulks niet wegneemt dat terugbetaling van op aandeelen gestort kapitaal niet als vrucht van roerend goed is te beschouwen.

Een tijdlang heeft de cassatierechter aan het begrip winstuitkeering wel zeer strenge eischen gesteld. Dat kan men zien uit de arresten van 9 Mei 1923 (B. n°. 3244) en van 23 Januari 1924 (B. n°. 3373): deze gingen er van uit, dat geen inkomen vormt de uitkeering van winst die na haar ontstaan eerst bij het kapitaal is gevoegd en dus niet aanstonds tot dividenduitkeering is gebruikt of wel tot dividendreserve is gemaakt. Grondslag van deze rechtspraak was, dat een uitkeering van oude reserves een aantasting van kapitaal vormde.

De Hooge Baad heeft deze enge opvatting niet gehandhaafd. Eerst kwam het arrest van 24 Juni 1925 (B. n°. 3600), dat tot bron van inkomen verklaarde een aandeel, waarop meer dan zijn nominale waarde zal worden uitgekeerd. En alle twijfel is opgeheven door het arrest van 11 Maart 1926 (B. n°. 3786). De raad van beroep had vastgesteld, dat de dividenduitkeering in quaestie plaats had gevonden uit in een stille reserve geaccumuleerde winst, en daaraan als zijn meening vastgeknoopt dat een bedrag, om als winstuitkeering belastbaar te zijn, niet behoefde te zijn een deel van de in het laatste jaar behaalde winst doch belastbaarheid evenzeer aanwezig is indien, zooals ten deze, het uitgedeelde een deel is van vroeger gemaakte doch niet uitgekeerde winst. Het cassatiemiddel hield alleen in, dat een Diet in contant geld aanwezige meerwaarde niet kon worden uitgedeeld; de Hooge Baad verklaarde hierop terecht, dat men zich dan tot dat doel toch wel contant geld kon verschaffen. In de leer der arresten B. nos. 3244 en 3373 zou hij allicht ambtshalve gecasseerd hebben, ten einde alsnog te doen vaststellen of de geaccumuleerde winst een dividendreserve was. Deze ruime opvatting kan thans wel als definitief worden beschouwd, nu de wetgever, bij de vaststelling van het tweede lid zooals dat nu luidt, zich duidelijk op hetzelfde standpunt heeft geplaatst. Men zie wat ik dienaangaande hieronder mededeel.

Ook buitengewone baten die een naamlooze vennootschap aan den aandeelhouder doet ten goede komen,

vormen voor dezen een opbrengst van zijn aandeel. Men zie in dien zin H. R. 5 Maart 1919 (B. n°. 2164) en 25 October 1922

Bijzondere opbrengst van aandeelen