is toegevoegd aan uw favorieten.

De wet op de inkomstenbelasting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Abt. 7

116

In de voetsporen der practijk trad de Hooge Raad eveneens met zijn beslissing dat niet enkel datgene wat uit een bedrijf is losgemaakt, als winst moet worden beschouwd (22 November 1917, B. n°. 1883). Het arrest van 9 November 1917 (B. n°. 1871) en dat van 11 October 1917 (B. n°. 1779; zie de tweede onderalinea der derde overweging) kunnen geacht worden in dezelfde richting te gaan. Ten aanzien van de reserves eener commanditaire vennootschap op aandeelen (waarvan de Minister aannam, dat zij niet onder alle omstandigheden toekomen aan de handelende vennooten) zie men de resolutie van 21 Augustus 1919 (B. n°. 2666); vergelijk ook blz. 104.

Naar ik zooeven te kennen gaf, kan er bij het bepalen van de winst wel sprake zijn van de waardever¬

meerdering der bedrijfsvoorraden, maar niet van die der bedrijfsmiddelen, zooals fabrieken, schepen, machines en dergelijke meer. Maar een andere vraag is het, of men in de winst, bij den verkoop van zulk een bedrijfsmiddel gemaakt, deel van de bedrijfswinst heeft te zien. En daarover is groot verschil van meening gerezen. In res. 12 December 1916 (B. n°. 1529) gaf de Minister op de vraag (het betrof daar den verkoop van een kantoorgebouw) een bevestigend antwoord. Ten aanzien van den verkoop van schepen sprak de Minister dezelfde meening uit in res. 14 Novemver 1917 (B. n°. 1873). Nog een ander geval (overdoen van een bedrijf saandeel) strekt ten onderwerp aan res. 9 October 1918 (B. n°. 2209).

Het eerste door den Hoogen Raad aan deze vraag gewijde arrest8 van 17 Juni 1918 (B. n°. 2014) stelde zich op hetzelfde standpunt als de genoemde resoluties. Dat deden ook de arresten van 21 Mei 1919 (B. n°. 2297) en van 25 Juni 1919 (B. n°. 2313), die beide betroffen het verkoopen van paarden en vee. Maar er

zulk een geval behandeld in de resolutie van 21 November 1919 (B. n°. 2548). De aandacht zij ook gevestigd op artikelen nopens dit onderwerp in het Weekblad voor de Administratie der Directe Belastingen nos. 2584, 2589, 2645 en 2661, alsmede op een serie artikelen, aanvangende in n°. 2587 van dat Weekblad.

1 Zie over dit onderwerp W. G. Douma in Weekbl. D. B. L A 3011 en 3014; Prinsen, Overzicht Jurisprudentie in Weekbl. D. B. I. A. 3041 (ad B. n°. 4625).

1 's Hoogen Raads arrest van 17 Januari 1918 (B. n°. 1909) is ten deze zonder belang, aangezien het College zich gebonden moest verklaren aan de feitelijke beslissing van den raad van beroep dat de verkoop van het kantoorgebouw in quaestie niet in de uitoefening van bedrijf had plaats gehad.

Winst uit vervreemding van bedrijfsmiddelen 1