Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

505

Art. 117

dergelijke meer, welke nog altijd het strafrecht in zake de invoerrechten en accijnzen kenmerken. De schadevergóedingsidee werd dus — zij het ingewikkeld — duidelijk van de hand gewezen. Weliswaar heeft de regeling met betrekking tot de strafprocedure haar atavistisch karakter behouden en is de transactie in stand gebleven, doch deze nawerking van het verleden is beperkt tot de meer lichte vergrijpen en kan daarom de overtuiging dat inderdaad een nieuwe koers is gevolgd, niet schokken.

De artt. 117—124 zijn aan het materieele strafrecht gewijd. Daarvan behelzen de artt. 117—120 de zwaardere, de artt. 121—123 de lichtere delicten, terwijl art. 124 de qualincatie der delicten inhoudt.

De regels van strafvervolging worden in de artt. 125 en 126 aangetroffen. Het laatste van die twee artikelen bevat bovendien nog een stuk materieel strafrecht, de transactie. Art. 127 eindelijk legt verband tusschen strafvervolging en navordering.

Artikel 117.

Hij die eene aangifte, als bedoeld bij hoofdstuk VIII, voor zich zeiven of voor een ander, opzettelijk onjuist of onvolledig doet, wordt, indien daaruit nadeel voor het Rijk of voor een of meer gemeenten kan ontstaan, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden.

De bepaling van het eerste lid blijft buiten toepassing, indien de aangever, zoolang het openbaar ministerie niet is verwittigd, uit eigen beweging alsnog eene juiste en volledige aangifte doet, mits :

hetzij de aanslag nog niet is vastgesteld en de aangever niet overeenkomstig art. 70 tot het geven van nadere inlichtingen of tot het verleenen van inzage van boeken of andere bescheiden is uitgenoodigd;

hetzij de aanslag te laag is vastgesteld.

Sluiten