is toegevoegd aan uw favorieten.

Pensioenwet 1922

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 89 —

Art. 144

algemeen verkregen rechten in het ontwerp zooveel mogelijk zijn geëerbiedigd, kan niet worden verondersteld, dat.de genoemde Commissie en met haar de Regeering zich in dezen niet op het standpunt zouden hebben gestéld, dat een pensioen, waarop recht is verkregen door vrijwillige betaling krachtens een vroegere wettelijke regeling, naast een pensioen krachtens deze wet onverkort behoorde te worden genoten. Gaarne zouden de hier aan het woord zijnde leden te dezer zake eenige inlichting ontvangen. Op schrapping of wijziging van het artikel meenden zij in elk geval te moeten aandringen.

Andere leden zouden achter het woord „haar", voorkomende op den voorlaatsten regel van het artikel, gaarne zien ingevoegd : ,.,met inbegrip van de verhooging, bedoeld bij de wet van 29 Mei 1920 (Staatsblad n°. 283),". (V. V.ï 2e K.)

— Hij die bijv. gebruik maakte van de bevoegdheid, verleend bij art. 10, vierde lid, lit. 6, der Weduwen wet voor de ambtenaren 1890, verzekerde aan zijn gezin, zooals het op het tijdstip van ingang van zijn ontslag was samengesteld, behoud van de pensioensuitzichten die het op dat tijdstip had. De verzekering had geen betrekking op het gelijktijdig genot van het pensioen ten laste van het weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren en ander pensioen. Het antwoord op de vraag of en in hoeverre zoodanig gelijktijdig genot geoorloofd zal zijn wordt beheerscht door de bepalingen omtrent cumulatie van pensioenen in de betrokken pensioenwetten.

Voor de weduwe en weezen van een ambtenaar die gebruik maakte van bovenbedoelde bevoegdheid en die na zijn ontslag als burgerlijk ambtenaar eene gemeentelijke betrekking die hij gelijktijdig met zijne functie als burgerlijk ambtenaar bekleedde, tot zijn dood bleef vervullen, kan het pensioen ten laste van het pensioenfonds voor de gemeenteambtenaren met dat ten laste van eerstgenoemd fonds zonder beperking cumuleeren, omdat de Weduwen wet voor de ambtenaren 1890 en de Weduwenwet voor de gemeenteambtenaren 1913 het gelijktijdig genot van pensioenen uit die twee fondsen niet aan eenige limiet binden.