is toegevoegd aan uw favorieten.

Henrik Ibsen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

110

van de nuchtere werkelijkheid, heeft de psychische veranderingen te weeg gebracht, zijn phantasie op den achtergrond gedrongen, zijn egoïstischen wil op den voorgrond.

Het vierde bedrijf beschrijft nu Peer's lotgevallen in Afrika, in een reeks onsamenhangende, satyrische scènes, die in hun geheel niet voldoen, omdat ze te bioscoop-achtig zijn. Vreemde lezers voelen bovendien de geestigheid niet, die met allerlei Noorsche personen en toestanden den spot drijft. Tracht men den psychischen toestand te beschrijven, waarin de Peer Oynt der 4de acte verkeert, dan krijgt men ongeveer 't volgende: In de eerste plaats is hij zelfzuchtig en gewetenloos; dan cosmopolitisch (380), imperialistisch (393), politiek (385); ook ijdel en phantastisch (393). Hij citeert nog altijd bijbelteksten, is ze nog meer vergeten dan de Peer der eerste bedrijven, citeert ze ook foutief — of hij haalt „woorden" aan van anderen, van een „denker", van den bergkoning, van zich zelf, alles door elkaar. Hij meent meester van de positie, een persoonlijkheid te zijn, een wil te bezitten, terwijl hij zich geheel door de omstandigheden laat leiden, nooit „zich zelf" is. Zijn geheele leven is een parodie op het eeuwig-manlijke, den wil en de kracht. Hij denkt alleen aan eigen voordeel en eer, heeft geen enkel ideaal, zoekt altijd zijn keizerrijk. Hij heeft nog een soort godsdienst, maar die is absoluut onethisch, zelfzuchtig en hoogmoedig (387). Hij meent in Gods gunst te staan, omdat hij, toen hij ouder werd, getracht heeft, met den Heer op koopmanswijze te accordeeren (378). Zinnelijk is hij ook nog: dat blijkt uit zijn verhouding tot Anitra, het ziellooze woestijnmeisje (399), een zuster van de groene trol-prinses. Ware, geestelijke liefde kent hij niet en wil hij niet. Om ons nu de tegenstelling te laten gevoelen, voert de dichter ons, midden in het vierde bedrijf even naar een berghut in Noorwegen. De deur draagt een groot houten slot: het is Peer Gynt's hut, zijn „thuis". Daar woont nu Solveig en - wacht met onverzwakte, heilige liefde (408).