Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 1

10 •

Volgens het gewijzigd ontwerp van wet luidde de aanhef van dit artikel : Het is den houder van eene hondenkar verboden die als vervoermiddel te gebruiken of te doen gebruiken. De woorden „als vervoermiddel" zijn tijdens de behandeling in de 2de Kamer geschrapt, ten einde te voorkomen dat de ge. leider voor den rechter de exceptie zou opwerpen, dat de kar op het oogenblik der overtreding niet als vervoermiddel gebruikt was.

Sub 2°. De redactie „tenzij hij als houder zij ingeschreven" is gekozen met het oog op den bewijslast bij eventueele vervolging, opdat het met-ingeschreven zijn geen element der overtreding uitmake.

—• Zie de artt. 1—4 van het sedert gewijzigde besluit van 6 Februari 1911, S. 45, hierna als bijlage opgenomen.

— Een met een hond bespannen rijwiel valt onder het begrip „hondenkar" in den zin dezer wet. (Arrest van den Hoogen Raad van 10 Maart 1919, A. B. bladz. 95, Ned. Jur. bladz. 443, W. 10405, G. 3544, C. V.)

Art. 2. Burgemeester en wethouders geven bij de inschrijving aan den houder een nummerbewijs af.

Zij weigeren de inschrijving of halen eene reeds gedane inschrijving door, indien hond, tuig, hondenkar of geleide niet voldoen aan de voorschriften, be" doeld bij artikel 1.

Eveneens, indien de houder tweemaal binnen een jaar onherroepelijk is veroordeeld wegens overtreding, hetzij0**»! deze wet of van de krachtens haar bij algemeenen maatregel van bestuur gestelde voorschriften, hetzij van artikel 254 of artikel 455 1°. of 2°., van het Wetboek van Strafrecht, met dien verstande, dat wanneer twee jaren verloopen zijn, nadat de laatste veroordeeling onherroepelijk is geworden, daaraan

Sluiten