Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ligt, vond dit bij u een welwillend gehoor en heeft Uwe Excellentie terstond verzocht, dat de kundige hoofdambtenaar, die aan uw Departement speciaal belast is met de samenstelling der wetsontwerpen in de gelegenheid zou worden gesteld met de door onzen Bond benoemde commissie samen te werken. Die samenwerking, door ons op hoogen prijs gesteld, heeft het thans voorliggende ontwerp tot vrucht gehad.

Wij hopen dan ook, dat de bespreking daarvan op heden zal leiden tot eene opbouwende critiek. Wordt die hoop verwezenlijkt, dan zullen wij, die op het gebied der Kinderbescherming reeds zooveel aan uwe voortvarendheid te danken hebben, ons weldra ook mogen verheugen in het bezit van een wet op den kinderrechter.

Ik behoef niet te zeggen, hoezeer wij allen de groote voortvarendheid op prijs stellen en hoogelijk waardeeren, welke tegenwoordig aan uw Departement heerscht, en waarvan wij reeds zoovele goede vruchten hebben mogen plukken.

Ik zal ze niet alle noemen, maar denk allereerst aan het nieuwe ontwerp Wetboek van Strafvordering. Voorbereid door uwen ambtsvoorganger, was het ten gevolge van den oorlog blijven liggen, doch thans door u weer opgenomen zal het, naar wij hopen en mogen vertrouwen aanstaanden Dinsdag door de Tweede Kamer worden aangenomen.

Toen dit ontwerp ■— ik meen in 1913 — werd ingediend, maakte men dezerzijds reeds de opmerking, dat bepalingen omtrent den kinderrechter daaraan ontbraken, daarbij werd de wensch uitgesproken, dat deze alsnog in het wetboek zouden worden ingelascht, vóórdat dit wetboek in werking zou treden.

Wij vleien ons, dat die wensch thans zal worden verwezenlijkt en dat de heden hier te houden besprekingen daartoe ook het hare zullen bijdragen.

In elk geval breng ik u zoowel namens het Bestuur als namens den geheelen Bond warme hulde voor al hetgeen u reeds ten deze verricht hebt en herhaal ik dat wij het ten zeerste op prijs stellen dat u deze vergadering met uwe tegenwoordigheid hebt willen vereeren.

Sluiten