is toegevoegd aan uw favorieten.

Het masker

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

114

HET MASKER

laatste gesprek over het anders-zijn. Vernederd had hij zich gevoeld, verbitterd op Alex, en op zich zelf nog veel meer, omdat hij den moed had gemist een omgang te verbreken, die, wanneer de ander de waarheid wist, door hem zeker zou zijn verbroken.

Een ellendige bedelaar was hij, minderwaardig-dankbaar voor elke aalmoes, die hem zonder liefde werd toegesmeten.

En toch, snikte het in hem, liever een aalmoes, dan zelfs die niet.

Hij vond zichzelf onman'lijk in zijn verdriet, maar hij voelde 't immers niet aan, zooals een man dat zou doen. Innerlijk was hij nog altijd een jongen. Hij ervaarde zijn verdriet, en eigenlijk het geheele leven, zooals hij dat acht jaar geleden óók zou hebben gedaan. Tóen was hij te oud geweest voor zijn jaren, nu te jong.

Zacht legde hij zijn hand op de willooze van Alex en bleef zoo, zonder beweging, bang, dat Alex ontwaken en ze wegtrekken zou.

Maar Alex sliep voort, en van de hel, die naast hem doorleden werd, wist hij niet.

Uren achtereen lag Herman zoo, zijn hand op die van den vriend. Soms vielen, in sluimer, zijn oogen even toe, maar tot werkelijken slaap kwam hij niet. Ten slotte, stijf van het voortdurend in dezelfde houding liggen, legde hij Alex' hand voorzichtig terug en stond op. Hij trok het gas aan en dronk wat water.

Alex bemerkte niets.

Herman bleef een oogenblik naar hem staan kijken. Warmverteederd. Toen streelde hij met aarzelende hand zacht het donkere haar, dat welig tegen het witte kussen vlokte.

— Mijn jongen, mompelde hij.

Vreemd, dacht hij, dat ik hem zoo noem, waar ik mijzelf zooeven óók voelde: een jongen!

En tóch gaf het weer wat hij voelde. Was het een moederlijk sentiment, uitvloeisel dat óók, van zijn tweeslachtige natuur?

Hoe kunnen, vroeg hij zich af, de menschen een liefde als deze slecht noemen? Is zij niet even sterk, even teeder als de gewone?