is toegevoegd aan uw favorieten.

Een jaar onder de Karo-Bataks

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

QO

ker niet uit dien warboel van omgevallen boomstammen enz. wijsgeworden.

Pa Boengamin was aan het brandhout kloven, maar staakte dadelijk zijn bezigheid toen hij mij zag aankomen. Toen wij gezeten waren, viel ik maar dadelijk met de deur in huis, en vertelde hem de reden die mij hierheen voerde. Of het uitvoerbaar was? — Zeker, het was uitvoerbaar, maar in dezen drukken werktijd een vrouw zoeken, dat was wel moeilijk. Alle vrouwen hadden nu hun werk en zouden moeilijk van hun familie weg kunnen trekken. Tachtig guldens zouden ook niet noodig zijn: de helft was voldoende de rest kon hij wel geleend krijgen. Maar welke vrouw zou dat moeten wezen? Hij dacht eenige oogenblikken na en zei toen dat hij er over zóu nadenken.

Dat redeneeren over een vrouw klinkt mij nog steeds een beetje zonderling in de ooren; de menschen zijn ijselijk praktisch en berekenend op dat punt. Je denkt soms dat het over een werkpaard gaat, dienstdoener, mak langs den weg, enz. enz.

13 Juli.

Mijn medische kennis begint naar waarde geschat te worden. ■— Vanmorgen kwam nande Gori mij vragen toch eens naar Pa Serboet te gaan zien, het been werd steeds erger. Geleerd door de ervaring, zeide ik: er wel te willen komen, maar dan moest ik ook alleen de dokter zijn en niemand anders. Wilde hij dat, dan kon hij mij laten roepen.

Nu, het duurde dan ook niet lang, daar stond nande Serboet voor mij om te vragen of ik haar man wilde behandelen. Die arme bracht nog een zakje rijst met een ei er in. Dadelijk ging ik mede, want al wil ik mij niet indringen, binnengaan door elke geopende deur wilde ik wel.

Met vele jammerklachten werd ik ontvangen. Dit jaar geen rijstveld, geen eten voor hen allen, doodgaan zouden