is toegevoegd aan uw favorieten.

De wetten op de vermogensbelasting en verdedigingsbelasting I

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

108

slechts in, indien de vaststaande feiten de beslissing niet kunnen dragen, b. v. indien het door den Raad aangevoerde door den H. R. niet als „omstandigheid" wordt aanvaard1.

Hierbij kan nog worden vermeld, dat volgens den H. R.2 ook latere handelingen en gedragingen licht kunnen verspreiden omtrent de vraag, welke beteekenis aan de vastgestelde „omstandigheden" moet worden toegekend.

Onder de „omstandigheden" zijn er enkele, waarop zóó dikwijls de nadruk wordt gelegd, dat het soms lijkt, alsof daarvan de beslissing omtrent de woonplaats afhangt. Omtrent eenige dier omstandigheden volgen hier eenige opmerkingen, om te doen uitkomen, dat deze zonder twijfel van groot belang znn, maar dat men daaraan toch niet in alle gevallen beslissende beteekenis mag toekennen.

, Het verschillend inzicht, waarvan

|___J>«J™»ing: I 0p pag. 103 werd gesproken, leidt tot

een verschil aangaande de beteekenis, die moet worden toegekend aan het kunnen beschikken over een woning. Wie het begrip „woonplaats" in den mensch zoekt, zal wel nimmer aan andere omstandigheden zooveel beteekenis willen hechten, dat een woonplaats buiten de woning wordt aangenomen3 — de vogel keert immers steeds tot zijn nest terug! Daarentegen zal hn, die de woonplaats maatschappelijk opvat, die meent, dat iemand woont, waar anderen hem kunnen vinden, voor gevallen komen te staan, waarin andere omstandigheden boven de woning moeten worden gesteld, 't Is duidelijk, dat dit bij een gewone forens niet het geval is.

In de eerste beslissingen over de fiscale woonplaats is meermalen tutdrukkehjk gezegd, dat de belastingplicht is vastgeknoopt aan de woning, die de persoon in Nederland tot zijn "r^beeld : arrest H. R. 30 September 1926, B. B. 3681, A. B. 1926 p. 7 ; het achterlaten van vermogen in of het overbrengen daarvan naar Nederland kan geschieden om tal van redenen, die met de woonplaats mets uitstaande

^Arresten 30 April 1924, B. B. 3403, 23 Maart 1927, B.-B. 4038.

•ZieDamsté t. a. p. pag. 53. In het op 20 Februari 1933 tusschen Nederland en België gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting (wetgevingsbijlage W. P. N. R. en Ned. Jur. bL CXIV) wordt m artTl§ 2 gesproken van ,.de plaats van hun gewoon verbbjf, opgevat in den zin van duurzaam tehuis."