is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek der algemeene kerkgeschiedenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§14. Keuze, vorming en onderhoud der geestelijken.

107

kwam de keuze des bisschops aan de gemeente en de naburige bisschoppen toe Later schreef de kerkvergadering van Nicea voor, dat de bisschoppen der provincie bij de keuze moesten tegenwoordig zijn. Drie konden volstaan, mits de anderen schriftelijk de keuze goedkeurden 2). De bevestiging was den metropoliet voorbehouden.

Alle andere aanstellingen van lagere geestelijken geschiedden door den bisschop, die in vele gevallen het gevoelen der gemeente vroeg. Een eigenlijke keuze bestond niet. De priesters en diakens toonden hun instemming door tegelijk met den bisschop den wijdeling de handen op te leggen3). Tweemaal gehuwden en neophyten, zij, die de kerkelijke boete hadden ondergaan en clinici, of in een gevaarlijke ziekte gedoopten, werden in den regel als irregulares beschouwd en van de wijdingen uitgesloten4). Voor den bisschop werd, zoo mogelijk, de leeftijd van vijftig, voor priesters die van dertig jaren gevorderd5).

2°. In den eersten tijd der Kerk vulde de H. Geest de ontbrekende vorming aan door den overvloed der charismen. Later kwam het onderrichten der toekomstige priesters en diakenen vooral op den bisschop neer, die, zooals Christus en de Apostelen, leerlingen om zich verzamelde en deze theoretisch, maar vooral practisch onderrichtte. Ook andere leeraren ontmoet men, zooals Justinuste Rome, waar T a t i a n u s onder anderen zijn leerling was, Tertullianus in Afrika, Irenaeus, die Gajus en Hippolytus onderrichtte. Hadden de meesten dezer geleerden, en vele bisschoppen wijsgeerige en andere kennis uit het heidendom meegebracht, sedert de tweede helft der tweede eeuw begonnen christelijke scholen te bloeien te Alexandrië, Rome, Antiochië, te Side in Phamphilië, te Edessa en Nisibiis in Mesopotamië en Jeruzalem in Palestina6). Het

*) Ep. 59, c. 5; Ep. 67, c. 3, 4, 5.

*) Concil. Nic, can. IV.

3) Constitut Apost, VHI, 16.

*) 1 Tim, III, 2—13; Tit, I, 5—9; Hist. Eccl, VI, 43 : „Cui quum universus clerus multique ex populo refragarentur, eo quod non liceret quemquam ex iis qui urgente vi morbi in lectulo perinde ac ille (tfovatus) perfusi fuissent, in clerum assumi." Cf. Cyprian., Ep. 69. c. 13.

*) Syrische Didaskalia, c 4; Constitut. Ap, II, 1. Cf. de synode van Neocaesarea, can. II. Hefele, Conciliengesch, I, 249.

*) Over Alexandrië en Antiochië beneden, § 22, 3; § 54, 1.