is toegevoegd aan uw favorieten.

Latijnsche woordverklaringen op semantisch-taalhistorischen grondslag

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SEMANTTSCH-TAALHIST0R1SCHEN GRONDSLAG.

111

het recht het Vergiliaansche woord toch zijn volle gewicht in de schaal te laten werpen.

Van den zooeven besproken wortel mei- „van hout bouwen" kan men een -nó- participium verwachten van den vorm mï-nó-, fem. regelmatig mï-na.

In welke verhouding staat nu minae tot het lat. moenia? Het enkelvoud moene komt slechts 'eenmaal voor bij Naevius (Ennius) apud Eestum p. 128 Linds. In morphologisch opzicht kan men eenigszins vergelijken gr. toivvi van den W. q*ei- en van den wortel ' mei- „ver- gelden, ruilen" Hesychius fiotvov avri tov iaoitov en voor -ni- crinis panis en and. Ik vermoed echter, dat om die eigenaardige zelfstandigheid van het „feminininum cv> collectivum," waarover boven (p. 13, 53, 97, 99 vlg.) gesproken werd, hier een oud substantivum onder ligt, dat ook werkelijk een van de oudste substantiva van een belaagd en belagend volk moet zijn geweest: masc. mi-hó-, fem. mói-nï (i = idg. ia, cf. lat. avia, cervia met oorspr. d uit a?); moenia werd als meervoud opgevat er werd metaplastisch geïnterpreteerd1), in omgekeerde richting als met iügera = %evye(<r)a: het geval was; mi-nd „eig. bevestiging, versterking, schanskorven", eig. collectivum, werd als meervoud gevoeld en nam in later tijd meervoud uitgang aan, werd een zgn. plutale tantum zooals lat. litterae (bov. p. 53). Of men ten slotte, evenals bij yoiïot: gen. *yaiccs (zie de gegevens bij Brugmann I.F. 29, 202 en bov. 99 vlg.) van een accent wisselend paradigma (vgl. gr. ttoivvi met o-phase: oxytonon) mag uitgaan: méi-rii: moi-nids, blijft natuurlijk uiterst onzeker. In ieder geval zou hier dan deze eenheid ontstaan:

m. *ml-nó-

f. nom. *mei-nl (of analogisch *moi-nï) cas., bijv. gen. *moi-nid% enz. waarin het ontstaan van de o-phasen wisseling volkomen in overeenstemming met de laatste Ablauttheorie van Güntert (I.F. 37, 48): o inplaats van e door secundaire accentonttrekking, zoowel vóór als na het hoofdaccent:

') Een nieuwe theorie staat volgens algemeene opvatting sterker, naarmate de problemen talrijker zijn, waarvoor zij de oplossing brengt of naarmate die oplossing eenvoudiger is; dit geldt ook hier. Want, zooals ik elders hoop aan te toonen, door dit uitgangspunt vindt ook lat. mille zijn Terklaring; oorspr. mllia — ~mll + ï fem.-coUect. „schare", „groot getal'" co gr. i-yciii-lct. „Schare" ro „duizenden", waarnaar een sing. *mïle, mille werd gevdrmd (in het oud-Latijn nog met den Gen. verbonden, dus substantivum), vgl. voor de Grieksche o-prothese oind. mïl-dnti „zij komen samen". Gr. óuïAaSóv Hom. O 277, lat. mïl-it-, „soldaat" eig. „de in den troep gaande, troupier" staat met iakJóv /< 93, Hdt. 1, 172 in verband (dat misschien in een volksetymologie óp-TAaSóv [: £>>o; „gelijk, dezelfde"] steun vond).