Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niamah en Noeam.

Üj^§ï!en verte^ (maar alleen Allah is alwetend) dat er in Koefa eens een zeer rijk en aanzienlijk man leefde, Rabia ben Chatem genaamd, wien ' ^ Allah een zoontje geschonken had, dat hij Niamah noemde. Toen hij eens toevallig op de slavenmarkt was, werd er juist een vrouw met een allerliefst klein dochtertje, Noeam geheeten, ten verkoop aangeboden. Rabia vroeg naar den prijs en toen de makelaar vijftig dinariën vroeg, sloeg hij dadelijk toe en liet het koopcontract uitschrijven.

Tot aan hun tiende jaar werden Niamah en Noeam samen opgevoed, en dachten dat zij broertje en zusje waren. Toen echter zeide Niamahs moeder eens tegen hem, dat dit niet zoo was en dat hij haar dus geen zuster meer moest noemen. Hij zeide hierop dat hij haar dan later trouwen wilde en na eenige jaren had het huwelijk ook werkelijk plaats. Noeam was inderdaad tot het schoonste meisje in geheel Koefa opgegroeid en daarbij zeer belezen en in muziek en zang zeer begaafd en ervaren; Niamah had haar dan ook innig lief en zij leefden samen zeer gelukkig.

Nu had de stadhouder van Koefa veel over Noeams schoonheid en lieftalligheid hooren spreken en de booze gedachte kwam in hem op, zich van haar meester te maken, en haar als geschenk aan den Beheerscher der Geloovigen Abdel Malek te zenden, om bij dezen in de gunst te komen. Hij liet dus een oude vrouw komen, die gewoonlijk het toezicht over zijn slavinnen hield, zeide haar wat hij van zins was en vroeg of zij dacht dat zij dit voor hem in orde zou kunnen brengen. De oude bedacht zich niet lang en zeide dat het wel gaan zou. Zij trok een wollen kleed aan, deed een rozenkrans aan en ging zoo, als een vrome pelgrim uitgedost, op weg naar het huis van Niamah, onderweg voortdurend gebeden prevelend. Bij de poort gekomen, klopte zij aan en toen de portier opendeed, deed zij alsof zij erg moe was en vroeg of zij niet even uit mocht rusten. De portier had het dadelijk niet op haar begrepen, zeide dat het hier geen moskee was en dat zij maar ergens anders moest gaan bidden, maar de oude liet niet af en wist net zoo lang haar praatjes te verkoopen, tot Niamah zelf kwam zien, wat er te doen was. Door haar vroom uiterlijk liet hij zich bedriegen en, den portier berispend over zijn optreden, voerde hij de oude zelf naar Noeam, die ook dadelijk zeer met haar ingenomen was. De sluwe koppelaarster wist zich dan ook recht vroom voor te doen; den geheelen dag bleef zij in een nis op haar knieën liggen, doende alsof zij bad, en toen Noeam haar smeekte, toch eindelijk eens wat rust te nemen en wat te eten, zeide zij dat wie in het paradijs wilde komen, hier op aarde niet tegen pijn en moeite op mocht zien. In het kort, zij wist haar rol zoo goed te spelen en zich zoo aan te stellen dat Noeam den grootsten eerbied voor haar opvatte en niet wist hoe haar toch maar goed te doen. Zij vroeg Niamah een vertrek voor haar in te richten,

389

Sluiten