Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te maken en den volgenden dag zond hij hem het geld en de benoeming en had hij den kalief overgehaald, zijn toestemming tot het huwelijk te geven.

Er wordt ook nog verteld dat Djafar met den gouverneur van Egypte op zeer gespannen voet stond. Nu schreef eens iemand, die van hun vijandschap niet afwist, een brief aan den gouverneur, waarin stond, dat de brenger van den brief een goede vriend van Djafar was en dat deze verzocht, hem goed te ontvangen. De gouverneur vertrouwde de zaak niet; wel ontving hij den man zeer gastvrij, maar zond den brief naar een van zijn lieden in Bagdad, om een onderzoek in te stellen. Zoo kreeg Djafar er kennis van en deze vroeg zijn vrienden, wat hij met den vervalscher van zijn schrift doen zou. Zijn vrienden raadden hem allen aan den man streng te straffen om daardoor anderen af te schrikken maar, nadat zij allen de strengste kastijdingen hadden voorgesteld, riep Djafar: „Bij Allah, er is toch onder U allen geen een weldenkende. Gij weet, hoe de verhouding van den stadhouder en mij is; nu geeft deze man mij aanleiding tot briefwisseling en verzoening; hoe zou ik hem dan straffen!" En hij schreef den gouverneur, dat de brief inderdaad van hem afkomstig was en verzocht hem nogmaals, den brenger gastvrij te bejegenen, maar hem niet te lang bij zich te houden en hem daarna weder naar Bagdad te zenden. Toen deze met rijke geschenken terugkwam, liet Djafar hem ontbieden. Weenend bekende hij zijn schuld, maar Djafar sprak hem vriendelijk toe en vroeg hoeveel hij van den gouverneur had gekregen. Hij antwoordde: „Honderd duizend dinariën," en Djafar zeide: „Dat is te weinig!".en verdubbelde de som.

Men verhaalt ook nog, dat het wonderbaarlijkste, wat den kalief Haroen Al Raschid ooit overkomen is, zich als volgt toedroeg. Toen zijn broeder Hadi kalief werd, eischte hij van Haroen een kostbaren zegelring op, die hun vader Mahdi toebehoord had. Haroen wilde hem echter niet afstaan, omdat hij hem als het symbool van het kalifaat beschouwde en, toen zijn broeder bleef aandringen, gooide hij hem in den Tigris. Toen nu Hadi stierf en Haroen kalief werd, ging hij naar dezelfde plek, waar hij den ring had weggegooid, wierp een looden ring in de rivier en beval een visscher daarnaar te duiken. En deze bracht den zegelring boven en dit voorspelde Haroens geluk en grootheid.

flanteekenig over de Barmekiden.

raEjloodra Haroen kalief was geworden, benoemde hij Djafar tot zijn vizier en W4i bewees hem de uitgezochtste eer, zooals in alle boeken te lezen staat.

Steeds noemde hij hem broeder en dikwijls ging hij hem in zijn woning opzoeken. Djafar was negentien jaar lang vizier en volgde steeds den raad van zijn vader Jahja, die gezegd had: „Laat, zoolang uw kalam (schrijfstift) dondert, het weldaden regenen!" Zijn val was even diep en plotseling als zijn

400

Sluiten